Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2024:924 ECLI:NL:HR:2024:924 AI generated

ECLI:NL:HR:2024:924 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2024:924
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04104 Datum 21 juni 2024 BESCHIKKING In de zaak van [de moeder], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: Y.E.J. Geradts, tegen STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, hierna: de gecertificeerde instelling, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/10/646170 / JE RK 22-2379 van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022; b. de beschikking in de zaak 200.325.066/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023.

Legislator headnote

AI generated

art. 358 Rv, art. 358 lid 4 Rv; ECLI:NL:HR:2024:924 · Hoge Raad: Het hof heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, en daartoe onder meer het volgende overwogen: “5.1 (…) Niet in geschil is dat de bestreden beschikking dient te worden aangemerkt als een tussenbeschikking als bedoeld in artikel 358 lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 5.2 (…) Op grond van artikel 358, lid 4, Rv kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. (…) 5.5 (…). Het hof is van oordeel dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de tussenbeslissing van 23 december 2022.

Keywords

AI generated
art. 358 Rv art. 358 lid 4 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 358 Rv
Dat oordeel is volgens het onderdeel in strijd met art. 358 Rv en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
art. 358 lid 4 Rv
De moeder heeft de mededeling (zie hiervoor in 2.3) redelijkerwijs zo kunnen opvatten dat de rechtbank heeft bepaald dat van de tussenbeschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld zoals bedoeld in art. 358 lid 4 Rv.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2002:AE4041
Het geding in feitelijke instanties Met een op 6 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de uit de relatie van hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - geboren minderjarigen: [kind 1], geboren op 31 juli 1993, en [kind 2], geboren op 20 februari 1998, zoals in het petitum van het verzoekschrift omschreven. De vrouw heeft het verzoek bestreden.
ECLI:NL:RBROT:2022:11319
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaaknummer: C/10/646170 / JE RK 22-2379 datum uitspraak: 23 december 2022 Beschikking van de meervoudige kamer over een verzoek tot herstel in het ouderlijk gezag, beëindigen van de uithuisplaatsing, bepalen van de hoofdverblijfplaats en opheffen van de ondertoezichtstelling in de zaak van [naam01] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats1] , advocaat: mr. C.M.D. de Waele te Amsterdam, betreffende [naam kind01] , geboren op [geboortedatum1] 2007 te [geboorteplaats1] , hierna te noemen: [naam kind01] .
ECLI:NL:GHDHA:2023:1492
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie zaaknummer : 200.325.066/01 rekestnummer rechtbank : JE RK 22-2379 zaaknummer rechtbank : C/10/646170 beschikking van de meervoudige kamer van 2 augustus 2023 inzake het verzoek van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. C.M.D. de Waele te Amsterdam. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna: de gecertificeerde instelling. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, locatie:
ECLI:NL:HR:2022:83
Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de vonnissen in de zaak C/13/565797 / HA ZA 14-542 van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2014 en 29 juni 2016; de arresten in de zaak 200.205.296/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 oktober 2020 en 22 december 2020. Capgemini heeft van het arrest van het hof van 20 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat primair strekt tot niet-ontvankelijkheid en subsidiair tot verwerping van het cassatieberoep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/04104 Datum 21 juni 2024 BESCHIKKING In de zaak van [de moeder], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, hierna: de moeder, advocaat: Y.E.J. Geradts, tegen STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Rotterdam, VERWEERSTER in cassatie, hierna: de gecertificeerde instelling, niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/10/646170 / JE RK 22-2379 van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2022; b. de beschikking in de zaak 200.325.066/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023.

De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De gecertificeerde instelling heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023 en tot verwijzing. De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 De dochter van de moeder is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De moeder is ontheven van het ouderlijk gezag over haar dochter.

De voogdij over de dochter wordt uitgevoerd door de gecertificeerde instelling. 2.2 De moeder heeft de rechtbank verzocht (i) haar in het gezag over de dochter te herstellen, (ii) de uithuisplaatsing van de dochter te beëindigen en het hoofdverblijf van de dochter bij de moeder te bepalen, en (iii) de ondertoezichtstelling van de dochter op te heffen. 2.3 De rechtbank heeft een beschikking gegeven waarin, voor zover in cassatie van belang, in het dictum iedere beslissing is aangehouden in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek en van het verloop van in te zetten hulpverlening (hierna: de tussenbeschikking).

Onderaan de tussenbeschikking staat een tekstblok met de volgende inhoud (hierna: de mededeling): “Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.” 2.4 De moeder heeft van de tussenbeschikking hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, en daartoe onder meer het volgende overwogen: “5.1 (…) Niet in geschil is dat de bestreden beschikking dient te worden aangemerkt als een tussenbeschikking als bedoeld in artikel 358 lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 5.2 (…) Op grond van artikel 358, lid 4, Rv kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. (…) 5.5 (…). Het hof is van oordeel dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de tussenbeslissing van 23 december 2022.

De grief van de moeder dat uit de mededeling onderaan de beschikking blijkt dat haar een rechtsmiddel ter beschikking staat, kan niet slagen. Slechts indien de beslissende rechter hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, staat tussentijds hoger beroep open. De algemene en ongemotiveerde mededeling op de laatste pagina van de beschikking kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een dergelijke beslissing (vgl. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041). Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking: - De betreffende mededeling staat vermeld op pagina 10 van de beschikking, na de vermelding op pagina 9 van de namen van de kinderrechters door wie de beschikking is gegeven en de ondertekening – eveneens op pagina 9 – van de beschikking door de voorzitter. - De betreffende mededeling staat in een ander lettertype dan het lettertype van de beschikking. - Niet gebleken is dat ter zitting in eerste aanleg de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep is besproken; de gecertificeerde instelling stelt in dat verband onbetwist dat zij daarover niet is gehoord. - In het lichaam van de bestreden beschikking is niets overwogen omtrent de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep.

Op grond van het vorenstaande beschouwt het hof de betreffende mededeling niet als bepaling van de beslissende kinderrechters, maar als een abusievelijk geplaatste standaard tekst. 5.6 Gelet op het voorgaande zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep. (…)” 3Beoordeling van het middel 3.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de moeder niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Dat oordeel is volgens het onderdeel in strijd met art. 358 Rv en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat sprake is van een ongeclausuleerde mededeling van de rechtbank dat hoger beroep tegen de tussenbeschikking kan worden ingesteld, en dat de moeder daarop heeft kunnen vertrouwen. 3.2 Het onderdeel slaagt. De moeder heeft de mededeling (zie hiervoor in 2.3) redelijkerwijs zo kunnen opvatten dat de rechtbank heeft bepaald dat van de tussenbeschikking tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld zoals bedoeld in art. 358 lid 4 Rv. Anders dan bij de mededeling die aan de orde was in de door het hof genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2002, kan in dit geval uit de inhoud van de mededeling niet worden afgeleid dat deze niet berust op een beslissing van de rechter, ook niet in het licht van de door het hof in rov. 5.5 genoemde feiten en omstandigheden (zie hiervoor in 2.4).

De rechtszekerheid eist dan dat ervan moet worden uitgegaan dat de rechtbank verlof voor tussentijds hoger beroep heeft gegeven. Het oordeel van het hof dat de moeder niet ontvankelijk is in het hoger beroep op de grond dat de rechtbank niet heeft bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld, kan daarom niet in stand blijven. 3.3 De klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). 4Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 augustus 2023; - verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; - veroordeelt de gecertificeerde instelling in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de moeder begroot op € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 21 juni 2024. Rechtbank Rotterdam 23 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11319. Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4041. Vgl. HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83, rov. 3.1.