Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:531 ECLI:NL:HR:2014:531 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:531 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:531
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

11 maart 2014 Strafkamer nr. 13/02181 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 januari 2013, nummer 23/004322-11, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Kuilenburg, advocaat te Amstelveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Bij de stukken van het geding bevinden zich: (i) een akte van cassatie, inhoudende dat een medewerker ter griffie van het Hof "daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht" op 18 februari 2013 heeft verklaard beroep in cassatie in te stellen tegen het bestreden arrest van 23 januari 2013; (ii) voormelde volmacht, inhoudende - kort gezegd - dat de raadsman als daartoe door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd aan de griffiemedewerker volmacht verleent om tegen voormeld arrest beroep in cassatie in te stellen; blijkens de daarop geplaatste stempelafdruk is deze volmacht op 5 februari 2013 ter strafgriffie van het Hof ingekomen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:531 · Hoge Raad: Nu het op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden dossier geen aanwijzingen bevat voor het oordeel dat het eerst op 18 februari 2013 instellen van het beroep het gevolg is van een aan de verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim, stuit de ontvankelijkheid van het beroep niet af op de omstandigheid dat het beroep eerst is ingesteld na het verstrijken van de cassatietermijn. 2.2. De Hoge Raad is evenwel van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

11 maart 2014 Strafkamer nr. 13/02181 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 januari 2013, nummer 23/004322-11, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Kuilenburg, advocaat te Amstelveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Bij de stukken van het geding bevinden zich: (i) een akte van cassatie, inhoudende dat een medewerker ter griffie van het Hof "daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht" op 18 februari 2013 heeft verklaard beroep in cassatie in te stellen tegen het bestreden arrest van 23 januari 2013; (ii) voormelde volmacht, inhoudende - kort gezegd - dat de raadsman als daartoe door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigd aan de griffiemedewerker volmacht verleent om tegen voormeld arrest beroep in cassatie in te stellen; blijkens de daarop geplaatste stempelafdruk is deze volmacht op 5 februari 2013 ter strafgriffie van het Hof ingekomen.

Nu het op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden dossier geen aanwijzingen bevat voor het oordeel dat het eerst op 18 februari 2013 instellen van het beroep het gevolg is van een aan de verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim, stuit de ontvankelijkheid van het beroep niet af op de omstandigheid dat het beroep eerst is ingesteld na het verstrijken van de cassatietermijn. 2.2. De Hoge Raad is evenwel van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Advocaat-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2014.