Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:521 ECLI:NL:HR:2014:521 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:521 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:521
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

7 maart 2014 Nr. 13/06395 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, van 8 november 2013, nr. HAA 13/938, betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Blijkens een door de griffier van de Rechtbank op de uitspraak van de Rechtbank gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 8 november 2013.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 Awb; ECLI:NL:HR:2014:521 · Hoge Raad: Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 20 december 2013. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 6 januari 2014, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, dan wel mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden.

Keywords

AI generated
artikel 6:7 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 Awb
Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 20 december 2013.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

7 maart 2014 Nr. 13/06395 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, van 8 november 2013, nr. HAA 13/938, betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie Blijkens een door de griffier van de Rechtbank op de uitspraak van de Rechtbank gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 8 november 2013.

Blijkens een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit beroepschrift op 31 december 2013 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. In dit beroepschrift in cassatie verwijst belanghebbende naar een reeds eerder door haar ingediend beroepschrift in cassatie in deze zaak, gedagtekend 12 november 2003, van welk geschrift een kopie is gevoegd bij het beroepschrift in cassatie. Dit geschrift is echter bij de Hoge Raad niet binnengekomen. Het beroep in cassatie is daarom pas ingesteld door middel van het op 31 december 2013 binnengekomen stuk.

Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 20 december 2013. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 6 januari 2014, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, dan wel mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden.

Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard. 2Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.