Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:3594 ECLI:NL:HR:2014:3594 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:3594 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:3594
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

12 december 2014 Eerste Kamer 13/04903 LH/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., handelende onder de naam Interpolis,gevestigd te Apeldoorn, EISERES tot cassatie, advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. P.A. Fruytier, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J.W.H. van Wijk. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Achmea en de Staat.

Legislator headnote

AI generated

art. 185 lid 1 WVW, art. 6:162 BW, art. 185 WVW; ECLI:NL:HR:2014:3594 · Hoge Raad: In verband hiermee heeft het hof geoordeeld dat het kostenverhaal door de Staat geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de Brandweerwet 1985. (rov. 3.3) Evenmin heeft het een dergelijke doorkruising van de Wegenwet aanwezig geacht (rov. 3.5 en 3.6). 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het verwijderen van olie van de weg niet onder de in art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 omschreven taak valt. 3.3.2 Art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 verklaart mede tot de taak van de brandweer ‘het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand’.

Keywords

AI generated
art. 185 lid 1 WVW art. 6:162 BW art. 185 WVW

Cited Legislation

AI generated
art. 185 lid 1 WVW
Grondslag van de vordering is art. 185 lid 1 WVW en art.
art. 6:162 BW
185 lid 1 WVW en art. 6:162 BW.
art. 185 WVW
Verhaal van kosten op deze grondslag, hetzij op grond van art. 185 WVW, hetzij op grond van art.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1992:ZC0788
Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie — verder te noemen de Gemeente — heeft bij exploit van 28 oktober 1986 verweerster in cassatie — verder te noemen Rize — gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en, na wijziging van de eis, gevorderd Rize te veroordelen om aan de Gemeente te voldoen: primair hulploon, door de Rechtbank naar billijkheid vast te stellen, subsidiair een bedrag van ƒ 427.860,43. Nadat Rize tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 6 juli 1988 aan de Gemeente haar vorderingen ontzegd. Tegen dit vonnis heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij zij haar eis heeft aangevuld. Bij arrest van 9 januari 1990 heeft het Hof het bestreden vonnis, voor zover in cassatie van belang, bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
NJ 1994/639
1 lid 4, aanhef en onder b, van de ten tijde van het ongeval geldende Brandweerwet 1985, en dat daarom, gelet op HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788, NJ 1994/639 (Bluskosten Vlissingen) geen kostenverhaal door de overheid mogelijk is.
ECLI:NL:HR:1975:AC5664
Het is verboden op de Rijksweg te plaatsen, te werpen, uit te gieten of te laten afvallen of afvloeien voorwerpen of stoffen, welke aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, benadeling of beschadiging van de weg of waardoor aan de gebruikers van de weg schade, hinder of letsel kan worden toegebracht.
NJ 1976/280
ECLI:NL:HR:1990:AC0965
Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie — verder te noemen de Staat — heeft bij exploot van 4 juni 1985 verweerster in cassatie — verder te noemen Windmill — op verkorte termijn gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd Windmill te verbieden uiterlijk vier weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis gipsslurry te lozen of doen lozen op het de Staat in eigendom toebehorende water, de Nieuwe Waterweg, zolang Windmill niet in het bezit is van een privaatrechtelijke vergunning tot het gebruik van dit water tegen betaling van een jaarlijkse vergoeding per m3 geloosd gipsslurry van ƒ 1,25. Nadat Windmill tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 22 november 1985 de vordering van de Staat afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 21 januari 1988 heeft het Hof het bestreden vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
NJ 1991/393
HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393 (Windmill)).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

12 december 2014 Eerste Kamer 13/04903 LH/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., handelende onder de naam Interpolis,gevestigd te Apeldoorn, EISERES tot cassatie, advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. P.A. Fruytier, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J.W.H. van Wijk. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Achmea en de Staat.

1Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 1088737/11-21950 van de kantonrechter te ’s Gravenhage van 7 maart 2012; b. het arrest in de zaak 200.108.284/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Achmea beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. K.J.O Jansen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping. 3Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (i) Op 15 juli 2008 heeft op de Rijksweg Al5 te Rotterdam een kettingbotsing tussen een aantal motorvoertuigen plaatsgevonden.

Een van de bestuurders was [betrokkene], die zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen en die daarom ter zake van het ongeval aansprakelijk is. [betrokkene] was verzekerd bij Achmea. (ii) Als gevolg van het ongeval is olie op het wegdek terechtgekomen. Wilchem B.V. heeft in opdracht van de Staat de olie opgeruimd en heeft daarvoor een bedrag van € 7.140,61 aan de Staat in rekening gebracht. 3.2.1 De Staat vordert in dit geding van Achmea als WAM-verzekeraar van [betrokkene] betaling van de opruimkosten ten bedrage van € 7.595,17 (bestaande uit de factuur van Wilchem B.V., arbeidsloon rijkspersoneel, de kosten van de inzet van hulpmiddelen en administratiekosten).

Grondslag van de vordering is art. 185 lid 1 WVW en art. 6:162 BW. 3.2.2 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Hij was van oordeel dat de aanwezigheid van olie op het wegdek een gevaar oplevert voor de mens in de zin van art. 1 lid 4, aanhef en onder b, van de ten tijde van het ongeval geldende Brandweerwet 1985, en dat daarom, gelet op HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788, NJ 1994/639 (Bluskosten Vlissingen) geen kostenverhaal door de overheid mogelijk is. 3.2.3 Het hof heeft de vordering alsnog toegewezen. Naar het oordeel van het hof ziet art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 uitsluitend op acute gevaarsituaties (anders dan bij brand) die veelal de snelle inschakeling van technische hulpmiddelen vereisen, en is bij het verwijderen van olie van de weg niet van een dergelijke situatie sprake, nu reeds met het afzetten van de weg, waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn, het acute gevaar van olie op de weg is verdwenen.

In verband hiermee heeft het hof geoordeeld dat het kostenverhaal door de Staat geen onaanvaardbare doorkruising oplevert van de Brandweerwet 1985. (rov. 3.3) Evenmin heeft het een dergelijke doorkruising van de Wegenwet aanwezig geacht (rov. 3.5 en 3.6). 3.3.1 Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het verwijderen van olie van de weg niet onder de in art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 omschreven taak valt. 3.3.2 Art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet 1985 verklaart mede tot de taak van de brandweer ‘het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand’.

Het hof heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de parlementaire geschiedenis van de Brandweerwet 1985, deze bepaling uitsluitend ziet op acute gevaarsituaties die veelal de snelle inschakeling van technische hulpmiddelen door de brandweer vereisen. Blijkens die parlementaire geschiedenis is bij deze bepaling immers uitsluitend gedacht aan deze gevallen, waarin de onmiddellijke inzet(baarheid) van de brandweer is geboden (vgl. Kamerstukken II 1980-1981, 16 695, nr. 3, p. 10-12, en Kamerstukken II 1983-1984, 16 695, nr. 12, p. 22). 3.3.3 Het oordeel van het hof dat het verwijderen van olie van de weg na een ongeval niet onder deze inzet valt, nu reeds met het afzetten van de weg, waarvoor geen speciale technische hulpmiddelen nodig zijn, het acute gevaar van die olie is verdwenen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. 3.3.4 Op het vorenstaande stuiten alle klachten van het onderdeel af.

In het midden kan dus blijven of in het geval dat het verwijderen van olie op de weg na een ongeval wel is aan te merken als een werkzaamheid als bedoeld in art. 1 lid 4, aanhef en onder b, Brandweerwet, dat zonder meer ertoe zou leiden dat de Staat de door hem gemaakte kosten niet kan verhalen, zoals aan het onderdeel ten grondslag ligt. In dit verband verdient opmerking dat het hier niet gaat om kosten die door de brandweer zijn gemaakt uit hoofde van de uitoefening van haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak, maar om kosten die de Staat heeft gemaakt uit hoofde van zijn taak als beheerder van de rijksweg.

Het hiervoor in 3.2.2 genoemde arrest Bluskosten Vlissingen heeft slechts betrekking op eerstgenoemde kosten. 3.4.1 Onderdeel 2 klaagt over de onjuistheid van het oordeel van het hof dat het onderhavige kostenverhaal evenmin een onaanvaardbare doorkruising van de Wegenwet oplevert. 3.4.2 Zoals reeds is beslist in HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5664, NJ 1976/280 (Rijksweg 12), zijn bestuurders van voertuigen ook tot zorgvuldig rijgedrag verplicht tegenover het openbaar lichaam dat belast is met het beheer en het onderhoud van de weg, en zijn zij daarom jegens dit lichaam, als dit door hun onzorgvuldig rijgedrag wordt genoopt tot het treffen van maatregelen ter uitoefening van zijn beheers- of onderhoudstaak, aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende kosten.

Verhaal van kosten op deze grondslag, hetzij op grond van art. 185 WVW, hetzij op grond van art. 6:162 BW, levert geen doorkruising op van de Wegenwet. Deze wet kent immers geen regeling van het verhaal van deze kosten, noch andere regelingen die aanleiding zouden kunnen geven tot dat oordeel (vgl. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393 (Windmill)). Er zijn ook geen gronden, in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wegenwet of daarbuiten, om aan te nemen dat dit verhaal (met die wet) publiekrechtelijk is uitgesloten en dat in verband daarmee sprake is van een doorkruising.

Dit was anders in het geval van het arrest Bluskosten Vlissingen met betrekking tot de kosten die werden gemaakt ter uitvoering van de in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak van de brandweer, in welk geval die gronden wel aanwezig waren (zie rov. 3.6 van dat arrest). Uit de in 3.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 16 juni 2005, Stb. 2005, 357, volgt bovendien dat de wetgever juist van de wenselijkheid van het onderhavige privaatrechtelijke verhaal is uitgegaan. 3.4.3 De klacht van het onderdeel faalt dus. 3.5 Ook de overige klachten die onderdeel 2 bevat, kunnen niet tot cassatie leiden.

Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en T.H.

Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 december 2014.