Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:3562 ECLI:NL:HR:2014:3562 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:3562 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:3562
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

12 december 2014 nr. 14/00797 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 januari 2014, nr. BK-12/00508, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Den Haag (nr. AWB 10/3947) betreffende de hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:3562 · Hoge Raad: De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juni 2012 ongegrond verklaard. 2.2.2. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 3 januari 2014 bevestigd. 2.2.3. Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade geleden door de lange duur van de behandeling van het geschil. 2.2.4. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof geoordeeld dat vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tot de dag dat het Hof uitspraak doet niet meer dan vier jaren zijn verstreken.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2005:AO9006
Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 284.594, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een kwijtschelding heeft verleend van vijftig percent, waardoor een verhoging van ƒ 35.698 resteerde.
ECLI:NL:HR:2011:BO5080
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het tijdvak 20 december 2001 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete.
ECLI:NL:RVS:2010:BN1146
Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2001 heeft de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening de voor het project 'Nederlands als 2e taal en arbeidsmarktbenadering' nr.
ECLI:NL:RVS:2009:BH4667
Procesverloop Bij besluiten van 30 maart 2001 heeft de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Rijnmond (hierna: de Regionale Directie) besluiten van 30 mei 1995, 10 januari 1996, 25 juni 1996 en 3 juni 1998 tot vaststelling van subsidies aan de stichting Stichting Hogeschool Rotterdam (hierna: de Stichting) ingetrokken, de subsidies vastgesteld op nihil en de reeds uitgekeerde bedragen teruggevorderd. Bij besluit van 19 april 2002 heeft de minister als rechtsopvolger van de Regionale Directie het door De Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

12 december 2014 nr. 14/00797 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 januari 2014, nr. BK-12/00508, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Den Haag (nr. AWB 10/3947) betreffende de hem in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. 2Beoordeling van de klachten 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. Bij beschikking heeft de Ontvanger aan belanghebbende aanmaningkosten van € 6 in rekening gebracht. 2.1.2. Belanghebbende heeft op 3 maart 2010 een bezwaarschrift ingediend. De afwijzende uitspraak van de Ontvanger op dat bezwaar is gedagtekend 11 mei 2010. 2.2.1.

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juni 2012 ongegrond verklaard. 2.2.2. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bij uitspraak van 3 januari 2014 bevestigd. 2.2.3. Belanghebbende heeft voor het eerst in hoger beroep aanspraak gemaakt op een vergoeding van immateriële schade geleden door de lange duur van de behandeling van het geschil. 2.2.4. Naar aanleiding daarvan heeft het Hof geoordeeld dat vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tot de dag dat het Hof uitspraak doet niet meer dan vier jaren zijn verstreken.

Het Hof is ervan uitgegaan dat de redelijke termijn niet is overschreden en heeft daarom het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 2.2.5. De klachten richten zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2.4 vermelde oordeel van het Hof. 2.3.1. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor berechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt.

Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadien uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld. 2.3.2. Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt de Hoge Raad voorop dat belanghebbende daarop eerst in hoger beroep aanspraak heeft gemaakt. Die omstandigheid staat er echter niet aan in de weg dat een dergelijke schadevergoeding wordt toegekend, ook voor zover zij betrekking heeft op de lange duur van de behandeling van het bezwaar en/of het beroep (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/05112, ECLI:NL:HR:2011:BO5080, BNB 2011/233, en Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1146, overweging 2.6.1). 2.3.3.

’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Rechtbank niet binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de termijn uitspraak heeft gedaan. De termijn van twee jaar is in die fase met ruim drie maanden overschreden. Zou belanghebbende reeds in de beroepsfase hebben verzocht om vergoeding van de daardoor geleden immateriële schade, dan had dit de Rechtbank aanleiding moeten geven om daarover te beslissen en, behoudens bijzondere omstandigheden, een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.

Indien in een zodanig geval in hoger beroep wordt geklaagd over die beslissing of over het ontbreken daarvan, is voor de beoordeling van die klachten niet van belang hoe voortvarend het hoger beroep is behandeld (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4667, AB 2009/236, overweging 2.9.3). 2.3.4. Belanghebbende heeft niet in de beroepsfase, maar voor het eerst in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een zodanig geval heeft te gelden dat de vraag of die termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen.

Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan er in een zodanig geval dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd. 2.3.5. Het oordeel van het Hof dat de onderhavige procedure tot en met de fase van het hoger beroep binnen een redelijke termijn is berecht, geeft geen blijk van miskenning van de hiervoor in 2.3.4 geformuleerde regels. De tegen dit oordeel gerichte rechtsklacht faalt daarom. 2.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.