ECLI:NL:HR:2014:3135 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generated7 november 2014 Nr. 14/01921 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2014, nrs. 12/00275 tot en met 12/00281, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 11/1374 en 11/1375, 11/2403 tot en met 11/2406 en 11/3229) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de Ziekenfondswet, de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente alsmede een boetebeschikking, de voor de jaren 2006 tot en met 2008 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor de jaren 2006 en 2007 opgelegde aanslagen in de Ziekenfondswet, alsmede de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2014:3135 · Hoge Raad: De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren. 2Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.
Full text
7 november 2014 Nr. 14/01921 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 maart 2014, nrs. 12/00275 tot en met 12/00281, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 11/1374 en 11/1375, 11/2403 tot en met 11/2406 en 11/3229) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de Ziekenfondswet, de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente alsmede een boetebeschikking, de voor de jaren 2006 tot en met 2008 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de voor de jaren 2006 en 2007 opgelegde aanslagen in de Ziekenfondswet, alsmede de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. 1Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren. 2Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.