Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:2840 ECLI:NL:HR:2014:2840 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:2840 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:2840
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

16 september 2014 Strafkamer nr. 13/04398 E Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nummer 22/004391-05, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:2840 · Hoge Raad: 13/04398 E Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nummer 22/004391-05, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

16 september 2014 Strafkamer nr. 13/04398 E Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nummer 22/004391-05, in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. 2Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. 3Beslissing De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2014.