Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:2147 ECLI:NL:HR:2014:2147 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:2147 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:2147
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

8 augustus 2014 nr. 14/02077 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een brief van de griffier van de Rechtbank Midden-Nederland, betreffende een verzoek om een proceskostenvergoeding. 1Het geding in feitelijke instantie 1.1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Na vernietiging van die aanslag door de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht heeft belanghebbende dat beroep ingetrokken en daarbij verzocht om een proceskostenvergoeding. 1.2. De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij een uitspraak op de voet van artikel 8:54 Awb van 24 januari 2013, nr. SBR 11/3455, aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 Awb, artikel 8:55 Awb; ECLI:NL:HR:2014:2147 · Hoge Raad: De heffingsambtenaar heeft het verzet bij schrijven van 21 augustus 2013 ingetrokken. Belanghebbende is daarvan bij brief van 2 september 2013 in kennis gesteld. 1.6. Belanghebbende heeft de Rechtbank gevraagd alsnog te beslissen op haar verzoek om een proceskostenvergoeding ter zake van de behandeling van het verzet. 1.7. De griffier van de Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2013 bericht dat nu het verzet is ingetrokken er geen bevoegdheid meer is voor de Rechtbank om uitspraak te doen op dit verzoek.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 Awb artikel 8:55 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 Awb
De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij een uitspraak op de voet van artikel 8:54 Awb van 24 januari 2013, nr.
artikel 8:55 Awb
De heffingsambtenaar heeft op 12 februari 2013 op de voet van artikel 8:55 Awb verzet gedaan tegen die uitspraak.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

8 augustus 2014 nr. 14/02077 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een brief van de griffier van de Rechtbank Midden-Nederland, betreffende een verzoek om een proceskostenvergoeding. 1Het geding in feitelijke instantie 1.1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Na vernietiging van die aanslag door de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht heeft belanghebbende dat beroep ingetrokken en daarbij verzocht om een proceskostenvergoeding. 1.2. De Rechtbank Midden-Nederland heeft bij een uitspraak op de voet van artikel 8:54 Awb van 24 januari 2013, nr. SBR 11/3455, aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.

De heffingsambtenaar heeft op 12 februari 2013 op de voet van artikel 8:55 Awb verzet gedaan tegen die uitspraak. 1.3. De Rechtbank heeft bij brief van 15 februari 2013 belanghebbende ervan in kennis gesteld dat een verzetschrift is ingediend. In die brief is belanghebbende niet verzocht om te reageren op het daarbij gevoegde verzetschrift. Evenmin is belanghebbende anderszins door de Rechtbank als partij in de verzetprocedure betrokken. 1.4. Bij brief van 4 maart 2013 heeft belanghebbende inhoudelijk op het verzetschrift gereageerd en heeft daarbij de Rechtbank verzocht om een proceskostenvergoeding toe te kennen ter zake van de behandeling van het verzet. 1.5.

De heffingsambtenaar heeft het verzet bij schrijven van 21 augustus 2013 ingetrokken. Belanghebbende is daarvan bij brief van 2 september 2013 in kennis gesteld. 1.6. Belanghebbende heeft de Rechtbank gevraagd alsnog te beslissen op haar verzoek om een proceskostenvergoeding ter zake van de behandeling van het verzet. 1.7. De griffier van de Rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 9 oktober 2013 bericht dat nu het verzet is ingetrokken er geen bevoegdheid meer is voor de Rechtbank om uitspraak te doen op dit verzoek.

2Geding in cassatie

Belanghebbende heeft naar aanleiding van de onder 1.7 vermelde brief beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer heeft op 28 maart 2014 geconcludeerd tot niet‑ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie. Een afschrift van de conclusie is aan dit arrest gehecht. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 3Beoordeling van de klachten 3.1. Tegen een bericht van de griffier van de Rechtbank stelt de wet geen rechtsmiddel open.

Het beroep in cassatie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3.2. Ten overvloede merkt de Hoge Raad het volgende op. De Rechtbank heeft belanghebbende niet als partij in de verzetprocedure betrokken en was daartoe ook niet gehouden. Onder die omstandigheden heeft belanghebbende geen recht op een proceskostenvergoeding voor de door haar - ongevraagd – gegeven en in de wettelijke regeling van het verzet niet voorziene reactie op het verzetschrift. 4Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2014.