Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:1684 ECLI:NL:HR:2014:1684 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1684 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:1684
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

11 juli 2014 Eerste Kamer nr. 14/02595 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster],wonende te Amersfoort, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. S.M. Singh. Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster]. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 265188/FT RK 13-1091 van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014; b. het arrest in de zaak HV 200.144.599/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

art. 426a lid 1 Rv; ECLI:NL:HR:2014:1684 · Hoge Raad: 11 juli 2014 Eerste Kamer nr. 14/02595 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster],wonende te Amersfoort, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. S.M. Singh. Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster]. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 265188/FT RK 13-1091 van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014; b. het arrest in de zaak HV 200.144.599/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

Keywords

AI generated
art. 426a lid 1 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 426a lid 1 Rv
Ingevolge art. 426a lid 1 Rv moet [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep worden verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

11 juli 2014 Eerste Kamer nr. 14/02595 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster],wonende te Amersfoort, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. S.M. Singh. Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 265188/FT RK 13-1091 van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014; b. het arrest in de zaak HV 200.144.599/01 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 8 mei 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. 3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Het beroep in cassatie is vervat in een verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Ingevolge art. 426a lid 1 Rv moet [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep worden verklaard. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar beroep. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 11 juli 2014.