Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:1644 ECLI:NL:HR:2014:1644 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1644 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:1644
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

11 juli 2014 Nr. 13/02595 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 11/00106, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5377) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1644 · Hoge Raad: 11 juli 2014 Nr. 13/02595 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 11/00106, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5377) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

11 juli 2014 Nr. 13/02595 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2013, nr. 11/00106, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5377) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel Het middel klaagt op zichzelf bezien terecht over de tegenstrijdigheid tussen enerzijds de beslissing van het Hof, waarin de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd en waarin niet is opgenomen dat de Inspecteur wordt gelast tot vergoeding van griffierecht, en anderzijds de overweging van het Hof omtrent het griffierecht, waarin wordt geoordeeld dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en het griffierecht door de Inspecteur moet worden vergoed.

Omdat de door het middel gewraakte, en klaarblijkelijk op een verschrijving berustende, overweging de beslissing van het Hof niet draagt, faalt het middel echter bij gebrek aan belang. Uit die beslissing volgt dat de Inspecteur niet gehouden was het griffierecht te vergoeden. 4Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2014.