ECLI:NL:HR:2014:1548 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generated27 juni 2014 Eerste Kamer nr. 14/01871 Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster],wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. S.F. Deen. Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster]. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer C13/12/639-R van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2012 en 29 januari 2014; b. het arrest in de zaak 200.141.474/01 van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2014:1548 · Hoge Raad: De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3). De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.
Full text
27 juni 2014 Eerste Kamer nr. 14/01871 Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster],wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. S.F. Deen. Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak met het insolventienummer C13/12/639-R van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2012 en 29 januari 2014; b. het arrest in de zaak 200.141.474/01 van het gerechtshof Amsterdam van 1 april 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3). De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 juni 2014.