Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:1455 ECLI:NL:HR:2014:1455 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1455 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:1455
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

20 juni 2014 nr. 13/02432 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 11 april 2013, nrs. AWB 12/2719 t/m 12/2730, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 6 november 2012, nrs. AWB 12/2719 t/m 12/2730 betreffende aan belanghebbende over een aantal jaren opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:37 van de Awb, artikel 8:54 van de Awb; ECLI:NL:HR:2014:1455 · Hoge Raad: Hiertegen richt zich het middel. 2.3.1. Artikel 8:37 van de Awb houdt de regel in dat de rechtbank processtukken verzendt bij brief. Daarbij is bovendien geregeld wanneer een stuk moet worden verzonden bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, en wanneer bij gewone brief. De rechtbank kan echter bepalen dat hiervan wordt afgeweken. 2.3.2. Indien een gerecht gebruik maakt van faxverkeer dient het er rekening mee te houden dat die wijze van communicatie van de geadresseerde vereist dat deze bijzondere maatregelen neemt om veilig te stellen dat een hem aldus toegezonden bericht dezelfde aandacht krijgt als hij gewoon is te geven aan bij hem bezorgde brieven, in het bijzonder brieven van gerechtelijke instanties.

Keywords

AI generated
Artikel 8:37 van de Awb artikel 8:54 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:37 van de Awb
Artikel 8:37 van de Awb houdt de regel in dat de rechtbank processtukken verzendt bij brief.
artikel 8:54 van de Awb
In het onderhavige geval heeft de griffier van de Rechtbank in het hiervoor in 2.1.4 bedoelde faxbericht aan de gemachtigde een laatste termijn gesteld, waarna een vereenvoudigde afdoening is gevolgd als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2007:BB9537
Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor de Rechtbank Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 186.435 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.044, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 2 september 2005 het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Bij zijn in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Die uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:BY3238
Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van Tricijn Belastingen is gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 mei 2011 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende nalatig is gebleven in het aanvoeren van de gronden van het beroep. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

20 juni 2014 nr. 13/02432 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 11 april 2013, nrs. AWB 12/2719 t/m 12/2730, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 6 november 2012, nrs. AWB 12/2719 t/m 12/2730 betreffende aan belanghebbende over een aantal jaren opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van het middel 2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 2.1.1. De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft bij brief van 4 juni 2012 beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Inspecteur. In die brief waren de gronden van het beroep niet vermeld.

Op het briefpapier dat de gemachtigde daarbij heeft gebruikt, staat in het briefhoofd het adres van diens kantoor en tevens een faxnummer vermeld. 2.1.2. Op 18 juni 2012 heeft de griffier van de Rechtbank naar het hiervoor in 2.1.1 bedoelde faxnummer een bericht gefaxt, inhoudende de mededeling dat het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat alsmede het verzoek dat verzuim binnen vier weken te herstellen. 2.1.3. Bij brief van 10 juli 2012 heeft de gemachtigde verzocht om uitstel van deze termijn tot 27 augustus 2012. Bij per fax verzonden brief van 11 juli 2012 heeft de griffier van de Rechtbank nader uitstel verleend tot 27 augustus 2012. 2.1.4.

Bij brief van 1 augustus 2012 heeft de gemachtigde verzocht om nader uitstel tot 5 september 2012 voor het indienen van de gronden van het beroep. Vervolgens heeft hij bij brief van 20 augustus 2012 verzocht om een laatste uitstel tot 8 oktober 2012. De griffier van de Rechtbank heeft bij per fax verzonden brief van 21 augustus 2012 een laatste uitstel verleend tot 8 oktober 2012 onder mededeling dat bij niet-tijdige reactie de beroepen niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. 2.1.5. Bij haar uitspraak van 6 november 2012 heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens de omstandigheid dat de gronden van het beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn meegedeeld. 2.2.

In haar thans in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat het voor belanghebbende kenbaar moet zijn dat de Rechtbank het faxverkeer gebruikt of kan gebruiken bij het stellen van een fatale termijn. De Rechtbank is van oordeel dat in een situatie waarin door de Rechtbank in dezelfde zaken al twee keer per fax een termijn is gesteld of uitstel van deze termijn is verleend, welke faxberichten blijkens de reacties van de gemachtigde deugdelijk zijn ontvangen, de gemachtigde er rekening mee heeft moeten houden dat de reactie van de Rechtbank op zijn verzoek om een laatste uitstel van de termijn voor indiening van gronden, ook per fax zou worden verzonden.

Hiertegen richt zich het middel. 2.3.1. Artikel 8:37 van de Awb houdt de regel in dat de rechtbank processtukken verzendt bij brief. Daarbij is bovendien geregeld wanneer een stuk moet worden verzonden bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, en wanneer bij gewone brief. De rechtbank kan echter bepalen dat hiervan wordt afgeweken. 2.3.2. Indien een gerecht gebruik maakt van faxverkeer dient het er rekening mee te houden dat die wijze van communicatie van de geadresseerde vereist dat deze bijzondere maatregelen neemt om veilig te stellen dat een hem aldus toegezonden bericht dezelfde aandacht krijgt als hij gewoon is te geven aan bij hem bezorgde brieven, in het bijzonder brieven van gerechtelijke instanties.

Dit brengt mee dat een gerecht een besluit om per fax een termijn te stellen voor herstel van een in potentie fataal verzuim, bekend dient te hebben gemaakt alvorens zich van een dergelijk communicatiemiddel te bedienen (vgl. HR 7 december 2007, nr. 43106, ECLI:NL:HR:2007:BB9537, BNB 2008/155; zie ook HR 12 april 2013, nr. 11/05101, ECLI:NL:HR:2013:BY3238, BNB 2013/161). 2.3.3. In het onderhavige geval heeft de griffier van de Rechtbank in het hiervoor in 2.1.4 bedoelde faxbericht aan de gemachtigde een laatste termijn gesteld, waarna een vereenvoudigde afdoening is gevolgd als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb.

In artikel 2, lid 2, van de Procesregeling bestuursrecht 2010 (Stcrt. 2010, nr. 12031) hebben de rechtbanken bepaald dat toezending van die stukken aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax kan geschieden. Daarmee heeft echter geen bekendmaking plaatsgevonden zoals vereist door het zojuist vermelde arrest van 7 december 2007. Het hiervoor vermelde artikel 2, lid 2, noemt slechts de mogelijkheid van het gebruik van de fax, evenwel zonder vermelding van een beslissing dat, en in welke (categorieën) gevallen daarvan gebruik zal worden gemaakt.

Bij een zodanige mate van onzekerheid over het gebruik van de fax door de rechtbank kan van betrokkenen niet worden verlangd dat zij de hiervoor in 2.3.2 bedoelde bijzondere maatregelen nemen. Dat kan eerst van hen worden verlangd als de procesregeling van het gerecht inhoudt dat alle stukken, dan wel alle stukken van een categorie waartoe het onderhavige stuk behoort, in de regel of in alle gevallen per fax worden verzonden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013). 2.3.4.

Nu uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding niet blijkt dat de Rechtbank haar beslissing om van faxverkeer gebruik te maken anderszins aan de gemachtigde bekend had gemaakt, brengt het voorgaande mee dat zij aan het niet-naleven van een in het onderhavige faxbericht gestelde termijn, geen voor de geadresseerde nadelige gevolgen mocht verbinden. De omstandigheid dat de Rechtbank al twee keer eerder per fax een termijn had gesteld of uitstel van de termijn had verleend, kan niet als een zodanige bekendmaking worden aangemerkt.

Het middel slaagt daarom. 2.4. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard. 3Proceskosten De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het verzet bij de Rechtbank. 4Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet, verklaart het verzet gegrond, verstaat dat de uitspraak waartegen het verzet gericht was vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond, gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het verzet bij de Rechtbank, vastgesteld op € 487 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.