Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:1388 ECLI:NL:HR:2014:1388 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1388 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:1388
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

13 juni 2014 EErste Kamer nr. 14/01423 LZ/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [verzoeker 1], 2. [verzoekster 2],beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, t e g e n de MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,zetelende te Den Haag, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de minister.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1388 · Hoge Raad: De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 6). De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet- ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 juni 2014.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

13 juni 2014 EErste Kamer nr. 14/01423 LZ/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [verzoeker 1], 2. [verzoekster 2],beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, t e g e n de MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,zetelende te Den Haag, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de minister.

1Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de uitspraken in de zaak BRE 13/3461 BESLU van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2013 en 18 november 2013. De uitspraken van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2Het geding in cassatie

Tegen de uitspraken van de rechtbank hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. Het standpunt van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt ertoe dat de Hoge Raad zich onbevoegd zal verklaren van dit cassatieberoep kennis te nemen. [verzoeker] c.s. hebben bij brief van 15 mei 2014 op dit standpunt gereageerd.

3Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 6). De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet- ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 juni 2014.