Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2014:1079 ECLI:NL:HR:2014:1079 AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1079 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2014:1079
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

9 mei 2014 Eerste Kamer nr. 13/01303 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [eiser 1], 2. [eiseres 2], 3. [eiseres 3],allen wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [verweerster],wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster].

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2014:1079 · Hoge Raad: De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 380,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 9 mei 2014.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

9 mei 2014 Eerste Kamer nr. 13/01303 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [eiser 1], 2. [eiseres 2], 3. [eiseres 3],allen wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [verweerster],wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.F. Thunnissen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster].

1Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de vonnissen in de zaak 332696/HA ZA 09-1668 van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2010 en 8 september 2010; b. het arrest in de zaak 200.077.239/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 november 2012. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 4 april 2014 op die conclusie gereageerd.

3Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 380,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 9 mei 2014.