ECLI:NL:HR:2013:BY6100 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedHet geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 366547/FA RK 10-3830 van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2011; b. de beschikking in de zaak 200.091.593/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 februari 2012. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Legislator headnote
AI generatedart. 401a lid 2 Rv; ECLI:NL:HR:2013:BY6100 · Hoge Raad: Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De in cassatie bestreden beschikking is een tussenbeschikking, nu het hof hiermee niet reeds door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt. Van deze tussenbeschikking is tussentijds cassatieberoep ingevolge art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a lid 2 Rv uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Nu van dit laatste niet is gebleken, is de man niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
1 maart 2013 Eerste Kamer 12/02269 EE/TJ Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. N.C. van Steijn, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], Spanje, VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 366547/FA RK 10-3830 van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2011; b. de beschikking in de zaak 200.091.593/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 februari 2012. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep De in cassatie bestreden beschikking is een tussenbeschikking, nu het hof hiermee niet reeds door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt. Van deze tussenbeschikking is tussentijds cassatieberoep ingevolge art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a lid 2 Rv uitgesloten, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Nu van dit laatste niet is gebleken, is de man niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.A. Loth en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.