ECLI:NL:HR:2013:694 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generated13 september 2013 Eerste Kamer 13/02234 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. de Back. Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker]. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 406673/FT-EA 12.1820 van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2012; b. het arrest in de zaak 200.119.001/01 van het gerechtshof te Den Haag van 25 april 2013. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
Legislator headnote
AI generatedart. 426a lid 1 Rv; ECLI:NL:HR:2013:694 · Hoge Raad: Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid. 3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep [verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 2 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is niet, zoals wordt voorgeschreven in art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek kon binnen twee weken hersteld worden door de indiening van een exemplaar van hetzelfde verzoekschrift, alsnog ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212).
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedCited Case Law
AI generatedFull text
13 september 2013 Eerste Kamer 13/02234 LZ/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. de Back. Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 406673/FT-EA 12.1820 van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2012; b. het arrest in de zaak 200.119.001/01 van het gerechtshof te Den Haag van 25 april 2013. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid. 3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep [verzoeker] heeft bij verzoekschrift van 2 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift is niet, zoals wordt voorgeschreven in art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit gebrek kon binnen twee weken hersteld worden door de indiening van een exemplaar van hetzelfde verzoekschrift, alsnog ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212).
Van deze mogelijkheid heeft [verzoeker] geen gebruik gemaakt. Hij dient derhalve niet-ontvankelijk in zijn cassatie-beroep te worden verklaard. 4Beslissing De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 13 september 2013.