ECLI:NL:HR:2013:2060 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generated20 december 2013 Nr. 13/02164 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag te Den Haag (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2013, nrs. BK-11/00926, 11/00927, 11/00931 en 11/00932, op de hoger beroepen van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2013:2060 · Hoge Raad: Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Proceskosten Wat betreft het principale cassatieberoep zal het College worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad: verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888.
Full text
20 december 2013 Nr. 13/02164 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag te Den Haag (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2013, nrs. BK-11/00926, 11/00927, 11/00931 en 11/00932, op de hoger beroepen van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen.
1Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten voorgesteld. Het College heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend. Het College heeft het incidenteel beroep beantwoord. 2Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde klachten De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen De klachten kunnen niet tot cassatie leiden.
Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4Proceskosten Wat betreft het principale cassatieberoep zal het College worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad: verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013. Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag wordt een griffierecht geheven van € 478.