Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2013:1361 ECLI:NL:HR:2013:1361 AI generated

ECLI:NL:HR:2013:1361 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2013:1361
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

29 november 2013 nr. 12/04301 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 06/8290 IB/PVV en AWB 06/8292 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2013:1361 · Hoge Raad: In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt. 3.3.1. Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2011:BO5046
Het geding in feitelijke instanties Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 20 juni 2001, ter zake van het in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning een bedrag aan leges geheven, welk bedrag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de sector Belastingen van de gemeente Tilburg (hierna: de heffingsambtenaar) is gehandhaafd. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (nr. 02/02319) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en gelast dat opnieuw uitspraak op het bezwaar wordt gedaan, met inachtneming van 's Hofs uitspraak. Nadat een hoorzitting had plaatsgevonden, heeft de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak gedaan, waarbij het geheven bedrag is gehandhaafd. De Rechtbank te Breda (nr. AWB 05/3226) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2013:CA2313
Het geding in feitelijke instanties Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 15 augustus 2007 op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor door A B.V.
ECLI:NL:HR:2011:BO5087
Het geding in feitelijke instanties Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 19 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete.
ECLI:NL:RVS:2008:BC7604
Procesverloop Bij uitspraak van 9 september 2002 heeft de huurcommissie Amsterdam (hierna: de huurcommissie) het door [appellant] tegen een uitspraak van de voorzitter van de huurcommissie (hierna: de voorzitter) van 11 maart 2002 gedane verzet ongegrond verklaard en bepaald dat [appellant] € 11,34 aan leges verschuldigd is. Bij besluit van 20 maart 2003, verzonden op 11 juli 2003, heeft de huurcommissie het door [appellant] tegen die vaststelling van verschuldigdheid gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 juli 2007, verzonden op 17 juli 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

29 november 2013 nr. 12/04301 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 06/8290 IB/PVV en AWB 06/8292 IB/PVV) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2003 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3Beoordeling van het door de

Staatssecretaris voorgestelde middel 3.1. Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de zaak door de rechter. Het middel betoogt dat het Hof heeft verzuimd de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. 3.2. Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige beschikking tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan in totaal 4 jaar zijn verstreken en vanaf de ontvangst van het hogerberoepschrift tot de dag waarop het Hof uitspraak heeft gedaan in totaal 3 jaar en een maand zijn verstreken, bestond in beginsel aanleiding de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de daaraan toe te rekenen immateriële schade.

In verband daarmee had het Hof de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moeten stellen als partij aan het geding deel te nemen (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, onderdeel 3.3.5 en HR 7 juni 2013, nr. 12/03118, ECLI:NL:HR:2013:CA2313, BNB 2013/176, onderdeel 4). Dat heeft het Hof verzuimd. Het middel slaagt. 3.3.1. Het middel betoogt verder dat er voor de Inspecteur geen mogelijkheid is geweest om erop te wijzen dat de thans door het Hof toegekende schadevergoeding meer bedraagt dan de belasting die op basis van de aangebrachte correcties meer verschuldigd is.

Voor het geval daarop na verwijzing alsnog een beroep zou worden gedaan, verdient opmerking dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (zie HR 10 juni 2011, nr. 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, BNB 2011/234). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een schadevergoeding die hoger is dan het bedrag aan belasting waarop het geschil betrekking heeft. 3.3.2.

Wel kan een uitzondering worden gemaakt voor het geval het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. In een dergelijk geval bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij de belastingplichtige heeft veroorzaakt. Bij het ontbreken van zodanige spanning en frustratie kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 maart 2008, nr. 200705993/1, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604). 4Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 5Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond, verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze betreft de beslissing de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade, en wijst het geding terug naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.