Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2013:1131 ECLI:NL:HR:2013:1131 AI generated

ECLI:NL:HR:2013:1131 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2013:1131
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

8 november 2013 Eerste Kamer 11/05583 RM/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], Duitsland, EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes, t e g e n ABN AMRO BANK N.V., in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van Fortis Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: aanvankelijk mr. K.G.W. van Oven, thans mr. F.E. Vermeulen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN Amro.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2013:1131 · Hoge Raad: Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Nu de middelen in het principale beroep falen, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN Amro begroot op € 5.965,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

8 november 2013 Eerste Kamer 11/05583 RM/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], Duitsland, EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes, t e g e n ABN AMRO BANK N.V., in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van Fortis Bank Nederland N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, advocaat: aanvankelijk mr. K.G.W. van Oven, thans mr. F.E. Vermeulen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ABN Amro.

1Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 90361 / HA ZA 06-936 van de rechtbank Groningen van 31 oktober 2007; b. de arresten in de zaak 107.002.367/01 van het gerechtshof te Leeuwarden van 8 september 2009 en 7 juni 2011. De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. ABN Amro heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor ABN Amro mede door mr. B.F.L.M. Schim, advocaat te Amsterdam De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep. 3Beoordeling van de middelen in het principale beroep De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden.

Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Nu de middelen in het principale beroep falen, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde. 4Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN Amro begroot op € 5.965,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A.

Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 november 2013.