ECLI:NL:HR:2012:BY6849 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedBeoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, lid 1, van de Awb behelst. De Hoge Raad zal daarom - gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2012:BY6849 · Hoge Raad: De Hoge Raad zal daarom - gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Full text
21 december 2012 Nr. 12/03462 Arrest gewezen op het verzoek van X te Z tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 22 juni 2012, nr. 11/05453, LJN BW9032, betreffende beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2008 en 2009. Het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2012 en het verzoek om herziening zijn aan dit arrest gehecht.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, lid 1, van de Awb behelst. De Hoge Raad zal daarom - gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
2. Beslissing De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.