Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2012:BY2325 ECLI:NL:HR:2012:BY2325 AI generated

ECLI:NL:HR:2012:BY2325 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2012:BY2325
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 26 maart 2007 - de aanvraagster ter zake van (de Hoge Raad begrijpt) "medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden hechtenis.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2012:BY2325 · Hoge Raad: De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 26 maart 2007 - de aanvraagster ter zake van (de Hoge Raad begrijpt) "medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden hechtenis.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

6 november 2012 Strafkamer nr. S 12/01447 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2007, nummer 23/002518-07, ingediend door mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, namens: [Aanvraagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 26 maart 2007 - de aanvraagster ter zake van (de Hoge Raad begrijpt) "medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden hechtenis.

2. De aanvraag tot herziening De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvraag 3.1. In de aanvraag wordt aangevoerd dat de aanvraagster bij het hiervoor onder 1 vermelde arrest van 12 juli 2007 is veroordeeld voor het - samen met [mededader] - medeplegen van handelen in strijd met een in art. 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, en dat de mededader [mededader] door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 8 maart 2011 is veroordeeld voor het plegen van dat feit, met vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde. 3.2. Anders dan in de aanvraag, die kennelijk steunt op de onjuiste opvatting dat de bewezenverklaring van het plegen van een strafbaar feit in de ene zaak de bewezenverklaring van het medeplegen van dat feit in de andere zaak uitsluit, wordt gesteld doet zich hier niet voor het in art. 457, eerste lid aanhef en onder a, Sv voorziene geval dat bij onderscheidene arresten bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen. 3.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 6 november 2012. Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.