Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2012:BX0124 ECLI:NL:HR:2012:BX0124 AI generated

ECLI:NL:HR:2012:BX0124 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2012:BX0124
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De uitspraak waarvan herziening is gevraagd 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 28 december 1999 - de aanvrager ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zulks terwijl hij bestuurder is", 2. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd" en 3. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot 4 jaren gevangenisstraf alsmede tot een geldboete van € 225.000,-, subsidiair 660 dagen hechtenis. 1.2. Bij arrest van 30 maart 2004 heeft de Hoge Raad - met vernietiging van voormeld arrest van het Hof in zoverre - de door het Hof opgelegde gevangenisstraf en vervangende hechtenis verminderd en het beroep voor het overige verworpen.

Legislator headnote

AI generated

art. 457 Sv, artikel 456 Sv; ECLI:NL:HR:2012:BX0124 · Hoge Raad: De aanvrage strekt ten betoge dat niet blijkt dat de oproeping van de aanvrager voor de terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2002 - mede naar aanleiding van welke terechtzitting het arrest van het Hof is gewezen - niet voldoet aan de eisen van art. 588, eerste lid, Sv. Aangenomen dat bedoelde oproeping niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend, zou dat niet hebben kunnen leiden tot een der hiervoor onder 3.2 genoemde beslissingen, maar tot de nietigverklaring van die oproeping. 3.4. Voorts wordt in de aanvrage aangevoerd dat de raadsvrouwe als daartoe door de aanvrager niet uitdrukkelijk gemachtigd op die terechtzitting niet het woord tot verdediging heeft mogen voeren.

Keywords

AI generated
art. 457 Sv artikel 456 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 457 Sv
Voor zover de aanvrage is gericht tegen het arrest van de Hoge Raad kan zij niet tot herziening leiden omdat dit arrest niet is een uitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv.
artikel 456 Sv
De aanvrage bevat subsidiair het verzoek "aan de procureur-generaal van de Hoge Raad in het kader van artikel 456 Sv te bezien of [hij] cassatie in het belang der wet nodig oordeelt".

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

3 juli 2012 Strafkamer nr. S 11/05027 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van a. een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 februari 2002, nummer 21/000363-00, b. een arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004, nr. 01839/03, en ingediend door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, namens: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Zwolle van 28 december 1999 - de aanvrager ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zulks terwijl hij bestuurder is", 2. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; meermalen gepleegd" en 3. "het medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot 4 jaren gevangenisstraf alsmede tot een geldboete van € 225.000,-, subsidiair 660 dagen hechtenis. 1.2. Bij arrest van 30 maart 2004 heeft de Hoge Raad - met vernietiging van voormeld arrest van het Hof in zoverre - de door het Hof opgelegde gevangenisstraf en vervangende hechtenis verminderd en het beroep voor het overige verworpen.

2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage 3.1. Voor zover de aanvrage is gericht tegen het arrest van de Hoge Raad kan zij niet tot herziening leiden omdat dit arrest niet is een uitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. 3.2. Wat betreft het arrest van het Hof kunnen als grondslag voor een herziening, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. 3.3.

De aanvrage strekt ten betoge dat niet blijkt dat de oproeping van de aanvrager voor de terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2002 - mede naar aanleiding van welke terechtzitting het arrest van het Hof is gewezen - niet voldoet aan de eisen van art. 588, eerste lid, Sv. Aangenomen dat bedoelde oproeping niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is betekend, zou dat niet hebben kunnen leiden tot een der hiervoor onder 3.2 genoemde beslissingen, maar tot de nietigverklaring van die oproeping. 3.4. Voorts wordt in de aanvrage aangevoerd dat de raadsvrouwe als daartoe door de aanvrager niet uitdrukkelijk gemachtigd op die terechtzitting niet het woord tot verdediging heeft mogen voeren.

Ook deze omstandigheid voldoet niet aan de hiervoor onder 3.2 vermelde eisen, omdat zij - daargelaten dat zij bij het onderzoek op de terechtzitting bekend was - evenmin zou hebben kunnen leiden tot een der daar genoemde beslissingen. 3.5. Het in de aanvrage gestelde behelst derhalve niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.2 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen. 3.6. De aanvrage bevat subsidiair het verzoek "aan de procureur-generaal van de Hoge Raad in het kader van artikel 456 Sv te bezien of [hij] cassatie in het belang der wet nodig oordeelt".

De Hoge Raad gaat aan dit verzoek voorbij nu dit tot de Procureur-Generaal is gericht.

4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 3 juli 2012. Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.