Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2012:BU6787 ECLI:NL:HR:2012:BU6787 AI generated

ECLI:NL:HR:2012:BU6787 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2012:BU6787
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

Legislator headnote

AI generated

art. 63 Sr, art. 58 Sr, art. 441 Sv; ECLI:NL:HR:2012:BU6787 · Hoge Raad: Beoordeling van het eerste en het tweede middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Keywords

AI generated
art. 63 Sr art. 58 Sr art. 441 Sv

Cited Legislation

AI generated
art. 63 Sr
Het middel klaagt primair dat het Hof niet heeft doen blijken op de voet van art. 63 Sr rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen, en subsidiair dat het Hof heeft verzuimd art.
art. 58 Sr
63 in verbinding met art. 58 Sr - worden aangenomen dat de verdachte niet is geschaad door het in de primaire klacht aangevallen verzuim, zodat deze reeds daarom faalt.
art. 441 Sv
De Hoge Raad zal het verzuim met toepassing van art. 441 Sv herstellen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

7 februari 2012 Strafkamer nr. S 09/03558 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 24 juni 2009, nummer 21/004926-07, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel 3.1. Het middel klaagt primair dat het Hof niet heeft doen blijken op de voet van art. 63 Sr rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen, en subsidiair dat het Hof heeft verzuimd art. 63 en art. 420bis Sr te vermelden als toepasselijke wettelijke voorschriften. 3.2. In aanmerking genomen dat bij de in het middel bedoelde uitspraken geldboetes zijn opgelegd, moet - gelet op de in de onderhavige zaak opgelegde gevangenisstraf en in aanmerking genomen het bepaalde in art. 63 in verbinding met art. 58 Sr - worden aangenomen dat de verdachte niet is geschaad door het in de primaire klacht aangevallen verzuim, zodat deze reeds daarom faalt. De subsidiaire klacht is gegrond. De Hoge Raad zal het verzuim met toepassing van art. 441 Sv herstellen.

4. Beoordeling van het vierde middel 4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover daarbij als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust niet de art. 63 en 420bis Sr zijn vermeld; vermindert de duur van de gevangenisstraf in die zin dat deze 32 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt; vermeldt als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust de art. 63 en 420bis Sr; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 7 februari 2012.