Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2011:BT7474 ECLI:NL:HR:2011:BT7474 AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BT7474 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2011:BT7474
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De procedure 1.1 Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de Derde kamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 11/04033. De Hoge Raad verstaat dat dit beroep is gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 2 augustus 2011, nr. AWB 10/9280 IB/PVV V. 1.2 Bij op 9 september 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker de wraking verzocht van D.G. van Vliet en J.W. van den Berge, leden van de Hoge Raad.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:HR:2011:BT7474 · Hoge Raad: De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. Het onderhavige verzoek tot wraking moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er nog geen leden van de Hoge Raad met de behandeling van de zaak zijn belast.

Keywords

AI generated
artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht
De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 11/04033 14 oktober 2011 Beslissing van de Vierde kamer van de Hoge Raad der Nederlanden naar aanleiding van een verzoek om wraking van de hierna te noemen raadsheren in de Hoge Raad, ingediend door X te Z, verder te noemen verzoeker.

1. De procedure 1.1 Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de Derde kamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder nummer 11/04033. De Hoge Raad verstaat dat dit beroep is gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 2 augustus 2011, nr. AWB 10/9280 IB/PVV V. 1.2 Bij op 9 september 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker de wraking verzocht van D.G. van Vliet en J.W. van den Berge, leden van de Hoge Raad.

2. De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken. Het onderhavige verzoek tot wraking moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er nog geen leden van de Hoge Raad met de behandeling van de zaak zijn belast.

3. Beslissing De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en J. de Hullu, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.