Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2011:BP9482 ECLI:NL:HR:2011:BP9482 AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BP9482 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2011:BP9482
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

De beslissing waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft het beroep van de aanvrager tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1983 (V.I. nr. 792/003), waarbij is herroepen de voorwaardelijke invrijheidstelling van de aanvrager, welke ingevolge de beschikking van die Staatssecretaris van 22 april 1981 (V.I. nr. 792/003) heeft plaatsgevonden op 2 mei 1981 en waarbij een proeftijd werd bepaald ingaande op de dag van de invrijheidstelling en eindigende op 4 mei 1983, ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BP9482 · Hoge Raad: Beoordeling van de aanvrage De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de beslissing waarvan herziening is gevraagd niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve niet worden ontvangen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

29 maart 2011 Strafkamer nr. 08/04812 H Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane beslissing van het Gerechtshof te Arnhem (penitentiaire kamer) van 12 december 1983, ingediend door: [Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937, wonende te [woonplaats].

1. De beslissing waarvan herziening is gevraagd Het Hof heeft het beroep van de aanvrager tegen de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 20 oktober 1983 (V.I. nr. 792/003), waarbij is herroepen de voorwaardelijke invrijheidstelling van de aanvrager, welke ingevolge de beschikking van die Staatssecretaris van 22 april 1981 (V.I. nr. 792/003) heeft plaatsgevonden op 2 mei 1981 en waarbij een proeftijd werd bepaald ingaande op de dag van de invrijheidstelling en eindigende op 4 mei 1983, ongegrond verklaard.

2. De aanvrage tot herziening De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft bovendien kennis genomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvraag.

3. Beoordeling van de aanvrage De aanvrage zal niet tot herziening kunnen leiden, reeds omdat de beslissing waarvan herziening is gevraagd niet is een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve niet worden ontvangen.

4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 maart 2011.