Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2011:BP4800 ECLI:NL:HR:2011:BP4800 AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BP4800 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2011:BP4800
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 99825 / KG RK 09-64 van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009; b. de beschikking in de zaak 200.046.426 van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Legislator headnote

AI generated

art. 990 Rv, art. 992 Rv; ECLI:NL:HR:2011:BP4800 · Hoge Raad: Het voormelde Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv.). Het principaal cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld. 3.3 Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.

Keywords

AI generated
art. 990 Rv art. 992 Rv

Cited Legislation

AI generated
art. 990 Rv
3.2 Ingevolge het te dezen toepasselijke art. 990 Rv.
art. 992 Rv
Het voormelde Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv.).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

13 mei 2011 Eerste Kamer 10/03320 RM/TT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN, gevestigd te Gouda, VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidenteel cassatieberoep, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en het LBIO.

1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 99825 / KG RK 09-64 van de rechtbank Almelo van 13 mei 2009; b. de beschikking in de zaak 200.046.426 van het gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het LBIO heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. [Verzoeker] heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in het principaal beroep en van het LBIO in het incidenteel beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principaal en van het incidenteel beroep 3.1 [Verzoeker] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2010, beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof van 27 april 2010. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] de beschikking van de rechtbank vernietigd en het LBIO, op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika inzake de geldendmaking van verplichtingen tot levensonderhoud, Washington, 30 mei 2001, Trb. 2001, 117, verlof verleend tot (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van een vonnis van de Superior Court of the State of Washington for King County van 17 april 1995 waarbij ten laste van [verzoeker] een verplichting tot levensonderhoud ten behoeve van een buiten huwelijk geboren kind is vastgesteld. 3.2 Ingevolge het te dezen toepasselijke art. 990 Rv. bedraagt de termijn voor het instellen van beroep in cassatie een maand na de dag waarop de beschikking van het gerechtshof is gegeven.

Het voormelde Verdrag bevat geen afwijkende voorziening (art. 992 Rv.). Het principaal cassatieberoep is derhalve te laat ingesteld. 3.3 Nu [verzoeker] in zijn principaal beroep wegens overschrijding van de cassatietermijn niet kan worden ontvangen, moet het LBIO in zijn incidenteel beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Beslissing De Hoge Raad verklaart [verzoeker] en het LBIO niet-ontvankelijk in hun beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 mei 2011.