Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2011:BP0005 ECLI:NL:HR:2011:BP0005 AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BP0005 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2011:BP0005
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikkingen in de zaak 77494/ES RK 06-246 van de rechtbank Almelo van 6 december 2006, 9 mei 2007 en 5 december 2007; b. de beschikkingen in de zaak 200.002.677 van het gerechtshof te Arnhem van 30 juni 2009 (tussenbeschikking) en 8 september 2009 (eindbeschikking, verbeterd bij beschikking van 1 december 2009). De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BP0005 · Hoge Raad: Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft voorwaardelijk en onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van zowel het principaal beroep als het onvoorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep met toepassing van art. 81 RO. De advocaat van de man heeft bij brief van 5 januari 2011 op die conclusie gereageerd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

18 februari 2011 Eerste Kamer 09/04957 EV/MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], Duitsland, VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het (voorwaardelijk en onvoorwaardelijk) incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het (voorwaardelijk en onvoorwaardelijk) incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. S. Kousedghi. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikkingen in de zaak 77494/ES RK 06-246 van de rechtbank Almelo van 6 december 2006, 9 mei 2007 en 5 december 2007; b. de beschikkingen in de zaak 200.002.677 van het gerechtshof te Arnhem van 30 juni 2009 (tussenbeschikking) en 8 september 2009 (eindbeschikking, verbeterd bij beschikking van 1 december 2009). De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft voorwaardelijk en onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van zowel het principaal beroep als het onvoorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep met toepassing van art. 81 RO. De advocaat van de man heeft bij brief van 5 januari 2011 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep De in het principale middel aangevoerde klachten alsmede de vijf onvoorwaardelijk aangevoerde klachten in het middel in het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Nu het middel in het principale beroep faalt, komt de voorwaardelijk ingestelde klacht uit het incidentele middel niet aan de orde.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 februari 2011.