Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2011:BO7116 ECLI:NL:HR:2011:BO7116 AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BO7116 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2011:BO7116
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 306563 FA RK 08-1907 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2008; b. de beschikking in de zaak 200.017.568.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 september 2009. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2011:BO7116 · Hoge Raad: Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

18 februari 2011 Eerste Kamer 09/05141 TT/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De moeder], wonende te Iran, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven, t e g e n [De vader], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de vader.

1. Het geding in feitelijke instanties Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. de beschikking in de zaak 306563 FA RK 08-1907 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2008; b. de beschikking in de zaak 200.017.568.01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 september 2009. De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 De moeder oefent het gezag uit over [de zoon], geboren in 2006. De vader heeft [de zoon] erkend. Hij heeft wijziging van het ouderlijk gezag alsmede vaststelling van een omgangsregeling en van een informatieregeling verzocht. De moeder heeft onder meer als verweer aangevoerd dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, omdat [de zoon] zijn gewone verblijfplaats niet (meer) in Nederland heeft. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Daarbij heeft zij overwogen dat de verblijfplaats van [de zoon] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek in Nederland was.

Tegen dit oordeel is in hoger beroep geen grief aangevoerd. 3.2 Het hof heeft overwogen dat als onweersproken vaststaat dat [de zoon] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg zijn gewone verblijfplaats in Nederland had. Een latere wijziging van omstandigheden kan naar het oordeel van het hof in beginsel geen afbreuk doen aan de hierop gebaseerde bevoegdheid in verband met het perpetuatio fori-beginsel. Daartegen richten zich de klachten van het middel. 3.3 Deze klachten, die verband houden met de vaststelling van de verblijfplaats van [de zoon], kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

Het hof was immers ook bij de (ambtshalve) beoordeling van zijn (internationale) bevoegdheid gebonden aan het in hoger beroep niet bestreden oordeel van de rechtbank over de verblijfplaats van [de zoon] ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek. Het oordeel van het hof dat latere wijzigingen in de verblijfplaats van [de zoon] aan de eenmaal terecht aangenomen bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet kunnen afdoen, is juist.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 18 februari 2011.