Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2010:BK0915 ECLI:NL:HR:2010:BK0915 AI generated

ECLI:NL:HR:2010:BK0915 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2010:BK0915
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.T. Klooken, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2010:BK0915 · Hoge Raad: Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

30 maart 2010 Strafkamer nr. 08/01725 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 oktober 2007, nummer 21/003068-07, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.G.T. Klooken, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel 2.1. Het middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, aangezien in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet de verklaring van de verdachte is opgenomen. 2.2. Het proces-verbaal van voormelde terechtzitting houdt in dat de verdachte aldaar aanwezig is, en voorts: "De advocaat-generaal draagt de zaak voor. De advocaat-generaal merkt op -zakelijk weergegeven-: Ik constateer een probleem met de ontvankelijkheid van verdachte in zijn hoger beroep. Verdachte was bekend met de dag ter terechtzitting in eerste aanleg.

Dit blijkt uit het feit dat verdachte op 3 juni 2007 een brief heeft verstuurd met een verzoek om aanhouding van de behandeling van zijn zaak op 6 juni 2007. Hij heeft echter niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen hoger beroep ingesteld. Ik concludeer dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in zijn hoger beroep. Voorts legt de advocaat-generaal de vordering over aan het hof. Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Het hof verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen." 2.3.

Het middel gaat ervan uit dat ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte een verklaring is afgelegd. Dit kan in cassatie niet worden onderzocht omdat het een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is. 2.4. Het middel mist feitelijke grondslag en kan niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 maart 2010.