Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2008:BD5466 ECLI:NL:HR:2008:BD5466 AI generated

ECLI:NL:HR:2008:BD5466 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2008:BD5466
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instantie Belanghebbende heeft ter zake van het parkeren op 11 december 2004 te Q op aangifte een bedrag aan parkeerbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf. Het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Weert heeft bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2008:BD5466 · Hoge Raad: Beoordeling van de klachten 3.1.1. Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaar ontvankelijk had moeten worden geacht, omdat de wetgever bezwaar tegen de onderwerpelijke voldoening op aangifte heeft uitgesloten met het oog op een specifieke situatie, die zich in het onderhavige geval niet voordoet. 3.1.2. Het opnemen van artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet (tekst geldend tot 1 januari 2005) is als volgt gemotiveerd: "In het derde lid is bepaald dat artikel 24 van de Algemene wet buiten toepassing blijft ten aanzien van de in onderdeel a van het tweede lid bedoelde voldoening op aangifte.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 07/10058 27 juni 2008 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 5 oktober 2007, nr. 05/00120, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan parkeerbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie Belanghebbende heeft ter zake van het parkeren op 11 december 2004 te Q op aangifte een bedrag aan parkeerbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf. Het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Weert heeft bij uitspraak het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert heeft bericht af te zien van het recht een verweerschrift in te dienen.

3. Beoordeling van de klachten 3.1.1. Belanghebbende betoogt dat zijn bezwaar ontvankelijk had moeten worden geacht, omdat de wetgever bezwaar tegen de onderwerpelijke voldoening op aangifte heeft uitgesloten met het oog op een specifieke situatie, die zich in het onderhavige geval niet voordoet. 3.1.2. Het opnemen van artikel 234, lid 3, van de Gemeentewet (tekst geldend tot 1 januari 2005) is als volgt gemotiveerd: "In het derde lid is bepaald dat artikel 24 van de Algemene wet buiten toepassing blijft ten aanzien van de in onderdeel a van het tweede lid bedoelde voldoening op aangifte.

Daardoor is bezwaar tegen het bedrag dat in de parkeermeter is geworpen, niet mogelijk. Zo'n bezwaar is denkbaar in de situatie waarin de feitelijke parkeerduur korter is dan die waarvoor door middel van betaling is gekozen. In die situatie, waarin men vrijwillig kiest voor een voldoening van een achteraf bezien te hoog bedrag, achten wij het te ver gaan om bezwaar toe te staan" (Kamerstukken II 1989-1990, 19 405, nr. 13, blz. 12). Uit deze toelichting blijkt niet dat de wetgever de uitsluiting van bezwaar tegen voldoening op aangifte heeft willen beperken tot de beschreven situatie.

Reeds hierom falen de klachten.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2008.