ECLI:NL:HR:2007:BB7094 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedDe bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 27 april 2005 - de verdachte ter zake van 1. "zware mishandeling" en 2. (de Hoge Raad leest:) "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig weken waarvan vijftien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf is door het Hof afgewezen.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:HR:2007:BB7094 · Hoge Raad: Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. 3.2. De verdachte heeft op 4 januari 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 9 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
Full text
4 december 2007 Strafkamer nr. 03087/06 LBS/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 januari 2006, nummer 22/002983-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1961, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 27 april 2005 - de verdachte ter zake van 1. "zware mishandeling" en 2. (de Hoge Raad leest:) "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig weken waarvan vijftien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf is door het Hof afgewezen.
2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. van Stratum, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot vermindering van de opgelegde straf.
3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. 3.2. De verdachte heeft op 4 januari 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 9 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; vermindert deze in die zin dat deze 29 weken, waarvan 15 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, beloopt; verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 december 2007.