Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2007:BB5078 ECLI:NL:HR:2007:BB5078 AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BB5078 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2007:BB5078
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties ABN AMRO heeft bij exploot van 4 maart 2002 [eiser 1] en [eiseres 2] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, na wijziging van eis, kort gezegd, [eiser 1] te veroordelen om aan ABN AMRO te betalen een totaalbedrag van € 24.952,13, met rente en kosten. [Eiser 1] heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2002 [eiser 1] veroordeeld om aan ANB AMRO te betalen een bedrag van € 22.326,96, met rente en buitengerechtelijke kosten. Tegen dit vonnis hebben [eiser 1] en [eiseres 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 30 maart 2006 heeft het hof [eiseres 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BB5078 · Hoge Raad: Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

7 december 2007 Eerste Kamer Nr. C06/201HR MK/IS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiseres 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen, t e g e n ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1], [eiseres 2] en ABN AMRO.

1. Het geding in feitelijke instanties ABN AMRO heeft bij exploot van 4 maart 2002 [eiser 1] en [eiseres 2] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, na wijziging van eis, kort gezegd, [eiser 1] te veroordelen om aan ABN AMRO te betalen een totaalbedrag van € 24.952,13, met rente en kosten. [Eiser 1] heeft de vordering bestreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2002 [eiser 1] veroordeeld om aan ANB AMRO te betalen een bedrag van € 22.326,96, met rente en buitengerechtelijke kosten. Tegen dit vonnis hebben [eiser 1] en [eiseres 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 30 maart 2006 heeft het hof [eiseres 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [eiser 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen ABN AMRO is verstek verleend. De zaak is voor [eiser 1] en [eiseres 2] toegelicht door hun advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres 2] in haar cassatieberoep, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser 1] en [eiseres 2] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 december 2007.