Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2007:BB3682 ECLI:NL:HR:2007:BB3682 AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BB3682 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2007:BB3682
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Met een op 15 maart 2005 ter griffie van de rechtbank Assen ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de tussen partijen bij echtscheidingsconvenant van 8 juli 2004 overeengekomen partneralimentatie met ingang van 1 juli 2004, en de kinderalimentatie met ingang van 1 juli, althans 1 november 2004, op nihil te stellen, met kwijtschelding van inmiddels ontstane achterstanden in de betalingen. De vrouw heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 november 2005 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van de minderjarige kinderen van partijen en in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 maart 2005 op nihil gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BB3682 · Hoge Raad: Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

5 oktober 2007 Eerste Kamer Rek.nr. R07/058HR RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 15 maart 2005 ter griffie van de rechtbank Assen ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de tussen partijen bij echtscheidingsconvenant van 8 juli 2004 overeengekomen partneralimentatie met ingang van 1 juli 2004, en de kinderalimentatie met ingang van 1 juli, althans 1 november 2004, op nihil te stellen, met kwijtschelding van inmiddels ontstane achterstanden in de betalingen. De vrouw heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 november 2005 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van de minderjarige kinderen van partijen en in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 maart 2005 op nihil gesteld.

Voorts heeft de rechtbank hetgeen de man tot op die datum krachtens het echtscheidingsconvenant had dienen te betalen bepaald op hetgeen hij in feite heeft betaald. Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De man heeft voorwaardelijk hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 13 december 2006 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw beslissende, het echtscheidingsconvenant met ingang van 15 maart 2005 gewijzigd onder bepaling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging van de minderjarigen en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 oktober 2007.