Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2007:BA7189 ECLI:NL:HR:2007:BA7189 AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BA7189 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2007:BA7189
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting over de tijdvakken januari 1998 tot en met maart 1998, april 1998 tot en met juni 1998, augustus 1998, september 1998, oktober 1998 en november 1998 tot bedragen van onderscheidenlijk ƒ 238.540, ƒ 202.800, ƒ 9457, ƒ 9800, ƒ 9319 en ƒ 3491 zijn door de Inspecteur bij beschikkingen van 18 december 1998 en 26 februari 1999 afgewezen, welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende heeft bij één beroepschrift tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2007:BA7189 · Hoge Raad: Nr. 37.646 15 juni 2007 whk gewezen op het beroep in cassatie van X5 B.V. te Z (hierna: belanghebbende)tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juli 2001, nr. P00/00213, betreffende na te melden beschikkingen inzake omzetbelasting.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 37.646 15 juni 2007 whk gewezen op het beroep in cassatie van X5 B.V. te Z (hierna: belanghebbende)tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 juli 2001, nr. P00/00213, betreffende na te melden beschikkingen inzake omzetbelasting.

1. Beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof Belanghebbendes verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting over de tijdvakken januari 1998 tot en met maart 1998, april 1998 tot en met juni 1998, augustus 1998, september 1998, oktober 1998 en november 1998 tot bedragen van onderscheidenlijk ƒ 238.540, ƒ 202.800, ƒ 9457, ƒ 9800, ƒ 9319 en ƒ 3491 zijn door de Inspecteur bij beschikkingen van 18 december 1998 en 26 februari 1999 afgewezen, welke beschikkingen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende heeft bij één beroepschrift tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Mees, advocaat te Amsterdam. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 11 december 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 21 februari 2006, BUPA Hospitals Ltd, C-419/02, BNB 2006/172, en Halifax plc, C-255/02, BNB 2006/170.

3. Beoordeling van de middelen Voor zover middel 1 zich richt tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende geen afnemer is van de bij het ziekenhuis afgeleverde zaken, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden, aangezien het oordeel van het Hof dat belanghebbende geen afnemer is van de geleverde zaken 's Hofs beslissing reeds zelfstandig draagt.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2007.