Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2007:AZ4073 ECLI:NL:HR:2007:AZ4073 AI generated

ECLI:NL:HR:2007:AZ4073 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2007:AZ4073
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties De vennootschap onder firma IBC Incassobemiddeling & Creditmanagement - verder te noemen: IBC - en haar vennoten, [verzoekers] (verzoekers tot cassatie), zijn bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 15 november 2005 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R.J. Fransz tot curator. Op 3 april 2006 hebben IBC, [verzoekers] bij de rechtbank te Haarlem een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2007:AZ4073 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

23 februari 2007 Eerste Kamer Rek.nr. R06/106HR RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Verzoeker 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verzoeker 2], wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. M.A. Koot.

1. Het geding in feitelijke instanties De vennootschap onder firma IBC Incassobemiddeling & Creditmanagement - verder te noemen: IBC - en haar vennoten, [verzoekers] (verzoekers tot cassatie), zijn bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 15 november 2005 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R.J. Fransz tot curator. Op 3 april 2006 hebben IBC, [verzoekers] bij de rechtbank te Haarlem een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Na behandeling van de zaak op 14 juni 2006, heeft de rechtbank bij vonnis van 27 juni 2006 het verzoek afgewezen. Tegen dit vonnis hebben IBC, [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Na mondelinge behandeling op 25 juli 2006 heeft het hof bij arrest van 1 augustus 2006 de uitspraak waarvan beroep vernietigd voorzover het verzoek van IBC is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, IBC niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De uitspraak waarvan beroep is voor het overige bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 februari 2007.