Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2006:AW6070 ECLI:NL:HR:2006:AW6070 AI generated

ECLI:NL:HR:2006:AW6070 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2006:AW6070
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 10 november 1989 [betrokkene 1], wonende te [woonplaats] - verder te noemen: [betrokkene 1] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [betrokkene 1] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 167.812,04 (ofwel € 76.149,78), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [Betrokkene 1] heeft de vordering bestreden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2006:AW6070 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

2 juni 2006 Eerste Kamer Nr. C04/289HR JMH/MK Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n 1. [Verweerster 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerster 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. G.R. van der Plas.

1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 10 november 1989 [betrokkene 1], wonende te [woonplaats] - verder te noemen: [betrokkene 1] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [betrokkene 1] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 167.812,04 (ofwel € 76.149,78), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [Betrokkene 1] heeft de vordering bestreden.

Na overlijden van [betrokkene 1] op 21 februari 1990 hebben verweersters in cassatie - verder te noemen: de erven [betrokkene 1] - verder geprocedeerd tegen [eiseres]. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 januari 1991 de vordering afgewezen. Tegen het vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De erven [betrokkene 1] hebben geen memorie van antwoord genomen, waarop desgevraagd door [eiseres] een akte non-conclusie is verkregen en heeft [eiseres] recht op stukken verzocht. Bij arrest van 4 mei 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De erven [betrokkene 1] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door haar advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven [betrokkene 1] begroot op € 1159,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 juni 2006.