Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2005:AR7931 ECLI:NL:HR:2005:AR7931 AI generated

ECLI:NL:HR:2005:AR7931 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2005:AR7931
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Met een op 20 september 2002 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich in een procedure tegen verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht de beschikking van 17 januari 2001 van deze rechtbank aldus te wijzigen, dat hij vanaf 19 juni 2002, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen, [het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, meer verschuldigd is, althans een door deze rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage lager dan € 118,66 per maand.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2005:AR7931 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

11 maart 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/048HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. H.J.W. Alt, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 20 september 2002 gedateerd verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich in een procedure tegen verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gewend tot de rechtbank te Utrecht en verzocht de beschikking van 17 januari 2001 van deze rechtbank aldus te wijzigen, dat hij vanaf 19 juni 2002, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarig kind van partijen, [het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, meer verschuldigd is, althans een door deze rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage lager dan € 118,66 per maand.

De vrouw heeft het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2003 het verzoek van de man afgewezen. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De vrouw is in hoger beroep niet verschenen. Bij beschikking van 8 januari 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, onder wijziging van de beschikking van 17 januari 2001, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormeld kind met ingang van de datum van deze beschikking bepaald op € 85,-- per maand en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De vrouw is in cassatie niet verschenen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van de man heeft bij brief van 29 december 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 11 maart 2005.