Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2004:AP1154 ECLI:NL:HR:2004:AP1154 AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AP1154 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2004:AP1154
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in voorgaande instanties Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: LISV - gewezen arrest van 27 november 1998, nr. 16.551 (C97/030HR), NJ 1999, 176. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad vernietigd het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 1996 en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. Na memoriewisseling na verwijzing door partijen heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij tussenarrest van 31 augustus 2000 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het hof bij eindarrest van 3 oktober 2002 het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 6 september 1995, waarvan beroep, bekrachtigd. De arresten van het hof van 31 augustus 2000 en 3 oktober 2002 zijn aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AP1154 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

11 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/069HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. B.D.W. Martens, t e g e n de publiekrechtelijke rechtspersoon UITVOERINGSINTANTIE WERKNEMERSVERZEKERINGEN, rechtsopvolger van Het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, gevestigd te Amsterdam, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in voorgaande instanties Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: LISV - gewezen arrest van 27 november 1998, nr. 16.551 (C97/030HR), NJ 1999, 176. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad vernietigd het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 10 oktober 1996 en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage. Na memoriewisseling na verwijzing door partijen heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij tussenarrest van 31 augustus 2000 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het hof bij eindarrest van 3 oktober 2002 het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 6 september 1995, waarvan beroep, bekrachtigd. De arresten van het hof van 31 augustus 2000 en 3 oktober 2002 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. LISV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van LISV begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 juni 2004.