ECLI:NL:HR:2004:AO4100 · Hoge Raad
Legislator summary
AI generatedGeding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde beroep. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
Legislator headnote
AI generatedart. 511h van het Wetboek van Strafvordering; ECLI:NL:HR:2004:AO4100 · Hoge Raad: Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde beroep. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
11 mei 2004 Strafkamer nr. 00459/03 P IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 april 2002, nummer 20/001341-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [plaats] (Indonesië).
1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beslissing De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 11 mei 2004. Mr. Urlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.