Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2004:AO3870 ECLI:NL:HR:2004:AO3870 AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AO3870 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2004:AO3870
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in feitelijke instanties Met een op 7 januari 2000 ter griffie van de rechtbank te Maastricht ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van der partijen minderjarig kind [de dochter], geboren te [geboorteplaats], Duitsland, op [geboortedatum] 1995, bij de man zal zijn en tevens dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - en voornoemde minderjarige. De vrouw heeft het verzoek bestreden en daarnaast verzocht de beschikking van deze rechtbank van 4 maart 1999 in die zin te wijzigen dat primair de vrouw voortaan het ouderlijk gezag over der partijen minderjarig kind alleen uitoefent, subsidiair te bepalen c.q. te bevestigen dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw zal zijn.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AO3870 · Hoge Raad: Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

9 april 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/011HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], Spanje, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. H.H. Barendrecht, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 7 januari 2000 ter griffie van de rechtbank te Maastricht ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat het hoofdverblijf van der partijen minderjarig kind [de dochter], geboren te [geboorteplaats], Duitsland, op [geboortedatum] 1995, bij de man zal zijn en tevens dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - en voornoemde minderjarige. De vrouw heeft het verzoek bestreden en daarnaast verzocht de beschikking van deze rechtbank van 4 maart 1999 in die zin te wijzigen dat primair de vrouw voortaan het ouderlijk gezag over der partijen minderjarig kind alleen uitoefent, subsidiair te bepalen c.q. te bevestigen dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw zal zijn.

De rechtbank heeft bij, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 24 maart 2000 met wijziging van haar beschikking van 4 maart 1999 bepaald dat de vrouw alleen het ouderlijk gezag heeft over voornoemde minderjarige, en een omgangsregeling vastgesteld zoals in het dictum van deze beschikking omschreven. Voorts heeft de rechtbank de definitieve beslissing met betrekking tot het gezag en de omgang aangehouden teneinde de raad voor de kinderbescherming in de gelegenheid te stellen daaromtrent een nader onderzoek te verrichten en de rechtbank van het verloop daarvan middels een rapport te berichten.

Bij eindbeschikking van 14 november 2001 heeft de rechtbank met wijziging van haar beschikking van 4 maart 1999 bepaald, dat de vrouw alleen het ouderlijk gezag heeft over het kind, een omgangsregeling vastgesteld zoals in het dictum van deze beschikking is omschreven, het meer of anders verzochte afgewezen, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij tussenbeschikking van 28 mei 2002 heeft het hof de raad voor de kinderbescherming verzocht te berichten als in de rechtsoverwegingen 4.3.8 en 4.3.9 van deze beschikking aangegeven.

Bij eindbeschikking van 22 oktober 2002 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het ouderlijk gezag en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw om haar alleen te belasten met dit gezag afgewezen, de beschikking voor het overige bekrachtigd, en het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikkingen van het hof van 28 mei 2002 en 22 oktober 2002 zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen beide beschikkingen van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep voor zover het is gericht tegen de eindbeschikking van het hof en tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar beroep tegen de tussenbeschikking van het hof.

3. Beoordeling van het middel De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 april 2004.