Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2004:AO3174 ECLI:NL:HR:2004:AO3174 AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AO3174 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2004:AO3174
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Het geding in voorgaande instanties Voor de loop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 6 december 2002, nr. R02/028, NJ 2003, 62. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 januari 2002, gegeven tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: het LBIO -, waarbij het LBIO ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 is verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2004:AO3174 · Hoge Raad: Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

26 maart 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/089HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN, gevestigd te Gouda, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in voorgaande instanties Voor de loop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 6 december 2002, nr. R02/028, NJ 2003, 62. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de beschikking van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 januari 2002, gegeven tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerder in cassatie - verder te noemen: het LBIO -, waarbij het LBIO ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 is verklaard en iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij beschikking van 12 september 2001 heeft de president ambtshalve bepaald dat de tegen [verzoeker] aangevangen lijfsdwang niet verder ten uitvoer zal worden gelegd. Na voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 april 2003 heeft het hof bij eindbeschikking van 8 mei 2003 de tussen partijen gegeven beschikking van de president van de rechtbank te Maastricht van 12 september 2001 vernietigd en [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van het LBIO veroordeeld, zoals in het dictum van deze beschikking is vermeld. De beschikking van het hof van 8 mei 2003 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen laatstvermelde beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Het LBIO heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van verzoeker tot cassatie in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het LBIO begroot op € 227,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.