Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:HR:2003:AF5113 ECLI:NL:HR:2003:AF5113 AI generated

ECLI:NL:HR:2003:AF5113 · Hoge Raad

Case Number ECLI:NL:HR:2003:AF5113
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 283.563, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:HR:2003:AF5113 · Hoge Raad: Voor het Hof was in geschil de hoogte van het bedrag dat op grond van artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als inkomsten uit vermogen in aanmerking moet worden genomen. Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde van de blooteigendom van de onroerende zaak per 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het voordeel dat bij belanghebbende is opgekomen ten gevolge van het verstrijken van de periode van het recht van vruchtgebruik tot 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Nr. 37.757 28 februari 2003 SE gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 oktober 2001, nr. BK-00/01717, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 283.563, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft op 27 november 1981 tezamen met zijn twee broers en zijn zuster de blooteigendom verkregen van een onroerende zaak. Op dezelfde dag is op de onroerende zaak een recht van vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van een stichting, welk vruchtgebruik eindigt bij het overlijden van een familielid van belanghebbende. Ten tijde van de vestiging van het recht van vruchtgebruik was de statistische levensverwachting van dat familielid twintig jaar en vier maanden. 3.2.

Voor het Hof was in geschil de hoogte van het bedrag dat op grond van artikel 25b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als inkomsten uit vermogen in aanmerking moet worden genomen. Het Hof heeft geoordeeld dat de waarde van de blooteigendom van de onroerende zaak per 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het voordeel dat bij belanghebbende is opgekomen ten gevolge van het verstrijken van de periode van het recht van vruchtgebruik tot 1 januari 1996 dient te worden berekend met toepassing van de samengestelde-interestmethode.

Tegen dit oordeel keert zich het middel tevergeefs, aangezien dit oordeel juist is.

4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2003.