Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSHE:2020:733 ECLI:NL:GHSHE:2020:733 AI generated

ECLI:NL:GHSHE:2020:733 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Case Number ECLI:NL:GHSHE:2020:733
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling familie- en jeugd recht zaaknummer : 200.256.951/01 zaaknummer rechtbank : C/02/350746 FA RK 18-5519 beschikking van de meervoudige kamer van 27 februari 2020 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 28 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHSHE:2020:733 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch: Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard zich, in het belang van [minderjarige 1] , te gaan inspannen om het contact tussen [minderjarige 1] en de man te herstellen en na een korte periode van opbouw toe te zullen gaan werken aan contact tussen de man en [minderjarige 1] zoals bij beschikking van 20 maart 2018 is bepaald. Gelet op het voorgaande en mede gelet op het gegeven, zoals hieronder blijkt, dat het hof de vast te stellen kinderalimentatie berekent over twee perioden, gaat het hof voor de periode van 18 oktober 2018 tot 1 januari 2020 uit van een zorgkorting van 0% en met ingang van 1 januari 2020, gelet op de intentie van partijen ter mondelinge behandeling, van een zorgkorting conform de voormelde beschikking van 20 maart 2018 van 15%.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:GHSHE:2019:717
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.237.954/01 zaaknummer rechtbank : C/02/327982 / FA RK 17-1279 beschikking van de meervoudige kamer van 28 februari 2019 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. R.A. Remport Urban te Bergen op Zoom, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. D.R.M. de Vos te Bergen op Zoom. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 24 januari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1. De vrouw is op 24 april 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 24 januari 2018. 2.2. De man heeft op 12 juni 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 december 2017; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 28 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 30 november 2018; - een journaalbericht van de zijde van de man van 30 november 2018 met bijlagen, ingekomen op 30 november 2018; - een journaalbericht van de zijde van de man van 7 december 2018 met als bijlage de brief van de advocaat van de man aan het hof van 7 december 2018 met bijlage, ingekomen op 7 december 2018. 2.4. De mondelinge behandeling heeft op 11 december 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De feiten 3.1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Het huwelijk van partijen is op 7 mei 2013 ontbonden door echtscheiding. 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (België). 3.4. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 april 2013 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 7 mei 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 oktober 2015 is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [de minderjarige] met ingang van 1 maart 2015 bepaald op € 413,- per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage met ingang van 1 januari 2017 € 427,16 per maand. 4De omvang van het geschil 4.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 28 oktober 2015 gewijzigd en de kinderalimentatie met ingang van 9 maart 2017 nader bepaald op € 312,82 per maand. 4.2. De grieven van de vrouw zien op de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw, de draagkrachtvergelijking en de zorgkorting. De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen, althans een hoger bedrag te bepalen dan het bedrag dat door de rechtbank nader is bepaald. 4.3. De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen. Bij de voormelde brief van de advocaat van de man aan het hof van 7 december 2018 met bijlage, heeft de man zijn oorspronkelijke verzoek in hoger beroep gewijzigd en verzocht, opnieuw rechtdoende, de kinderalimentatie voor [de minderjarige] te bepalen op € 291,- per maand. 5De motivering van de beslissing Wijziging van omstandigheden 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de door de man te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige] opnieuw dient te worden berekend en vastgesteld. Het hof gaat daarvan uit. Ingangsdatum 5.2. Partijen hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat een wijziging van de kinderalimentatie dient in te gaan op 9 maart 2017, zodat het hof daarvan uitgaat. Behoefte [de minderjarige] 5.3. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen niet in geschil. Met ingang van 1 januari 2017 bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 700,- per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [de minderjarige] met ingang van 1 januari 2018 € 710,50 per maand. Draagkracht van de man 5.4. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)], nu het, zoals in het navolgende zal blijken, een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.575,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 905,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. 5.5.1. De vrouw heeft gesteld dat bij de bepaling van de draagkracht van de man afgeweken moet worden van de voormelde draagkrachtformule volgens het forfaitair systeem, omdat de man samenwoont met zijn partner en de werkelijke woonlast lager is dan de forfaitaire woonlast (0,3 x NBI) nu de man geacht kan worden zijn woonlast met zijn partner te delen. 5.5.2. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. De man heeft gesteld dat de werkelijke woonlast van de woning, die zijn eigendom is, groter is dan 0,3 x NBI, dat hij weliswaar samenwoont met zijn partner, doch dat zijn partner feitelijk niet bijdraagt in zijn woonlast en dat uitgegaan moet worden van het forfaitair systeem. 5.5.3. Het hof overweegt het navolgende. In beginsel wordt niet afgeweken van het forfaitaire systeem indien de alimentatieplichtige samenwonend is, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien niet kan worden voorzien in de kosten van het kind. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De kosten van [de minderjarige] worden volledig door partijen gedekt. Het hof acht het in dit geval niet in strijd met het wettelijk kader om bij de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de forfaitaire woonlast. Het toepassen van een forfaitair rekensysteem biedt bovendien geen mogelijkheid om met iedere post met betrekking tot de draagkracht rekening te houden. Naar het oordeel van het hof leidt het toepassen van het forfaitair systeem in dit geval niet tot een onaanvaardbaar resultaat. 5.6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat met ingang van 9 maart 2017 gerekend dient te worden met een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.578,- per maand, zoals de rechtbank heeft overwogen. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel volgens de draagkrachtformule: 70% [€ 2.578,- - (0,3 x € 2.578,- + € 905,-)] = € 629,72 per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man aan zijn ex-partner mevrouw [relatie van de man] een bedrag van € 50,- per maand betaalt als kinderalimentatie voor de twee kinderen uit zijn relatie met mevrouw [relatie van de man] . Het hof becijfert de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van 9 maart 2017 op € 629,72 - € 50,- = € 579,72 per maand. 5.6.2. Met ingang van 1 augustus 2018 is de man in dienst bij een andere werkgever tegen een salaris, hoger dan voorheen, van € 3.800,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, zoals blijkt uit de door de man overgelegde loonstroken met betrekking tot de maanden augustus tot en met oktober 2018. De vrouw heeft gesteld dat naast voormeld bruto salaris ook rekening gehouden moet worden met de overwerkvergoeding die de man ontvangt, zoals blijkt uit de salarisstrook van augustus 2018. De man heeft dit betwist, hij heeft gesteld dat slechts in de zomer van 2018 sprake is geweest van vergoeding van overwerk. Het hof is van oordeel dat naar redelijkheid rekening moet worden gehouden met de overwerkvergoeding zoals blijkt uit de salarisstrook van augustus 2018 ad € 564,30 en € 68,40, nu niet is gebleken dat de man die overwerkvergoeding niet ook in opvolgende jaren zal ontvangen. Het hof rekening met een overwerkvergoeding als volgt: [€ 564,30 + € 68,40 =] € 632,70 : 12 = € 52,73 bruto per maand. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.660,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte, gewaarmerkte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (I). De draagkracht van de man bedraagt met ingang van 1 augustus 2018 in beginsel volgens de formule (niveau 2018): 70% [€ 2.660,- minus (0,3 x € 2.660,- + € 920,-)] = € 659,40 per maand. Rekening houdend met de kinderalimentatie van € 50,- per maand die de man aan mevrouw [relatie van de man] betaalt, bedraagt de draagkracht van de man voor het betalen van kinderalimentatie voor [de minderjarige] met ingang van 1 augustus 2018 op € 659,40 - € 50,- = € 609,40 per maand. 5.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderalimentatie in twee periodes dient te worden berekend als volgt: van 9 maart 2017 tot 1 augustus 2018 en met ingang van 1 augustus 2018. Draagkracht van de vrouw 5.8.1. De vrouw heeft gesteld dat ze in het jaar 2017 wisselende inkomsten heeft gehad, dat zij minder uren heeft gewerkt en minder heeft verdiend dan in 2016 en dat voor de berekening van haar draagkracht uitgegaan moet worden van de Fiche Nr. 281.10 jaar 2017 (bijlage 2 bij voormeld journaalbericht van de vrouw), waaruit een fiscaal loon blijkt van € 18.062,92. De man heeft die stelling gemotiveerd heeft betwist. Hij heeft gesteld dat de Fiche Nr. 281.10 jaar 2017 niet een fiscaal, maar een netto jaarloon van € 18.062,92 vermeldt. In zijn visie vormt de aangifte Inkomstenbelasting 2016 het enige reële aanknopingspunt voor de berekening van de draagkracht van de vrouw en dient uitgegaan te worden van een fiscaal loon van de vrouw van € 26.229,- en een netto besteedbaar inkomen van € 1.993,- per maand. 5.8.2. Het hof overweegt het navolgende. De vrouw woont in Nederland, zij werkt in België. De vrouw doet aangifte voor de inkomstenbelasting in Nederland. Uit de door de door de vrouw in hoger beroep overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2016 blijkt een fiscaal loon in 2016 van € 26.229,-. De man heeft in de voormelde brief van de advocaat van de man aan het hof van 7 december 2018 gesteld dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, op basis van voormeld fiscaal loon, € 1.993,- per maand bedraagt. De vrouw heeft dit niet weersproken. Desgevraagd ter zitting heeft de vrouw onvoldoende toelichting kunnen geven op het verband tussen de Fiche Nr. 281.10 jaar 2017 en de daaraan gehechte bijlagen, waaruit een bedrag blijkt van € 20.88,78 (Bruto Bas. vakantie) en een bedrag van € 22.559,89 (Onbegr. Bijz. Bijdr.), alsmede de Loonfiche Nr. 281.10 Jaar 2017 terzake een Buitengewone vakantietoelage ad € 1.780,36 en € 413,40, en de bijlage ‘Vakantiegeld 2017 - uw prestaties van het jaar 2016’ ad € 3.443.41. De vrouw heeft verder de loonstroken over de maanden januari 2017 tot en met oktober 2017 overgelegd, loonstroken over de maanden november en december 2017 ontbreken. Uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van januari tot en met oktober 2017 blijkt een totaal netto loon van € 14.900,-. Dit loon gedeeld door 10 maanden levert een loon van € 1.490,- netto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Uit de door de vrouw overgelegde opgave Vakantiegeld 2017 -uw prestatie van het jaar 2016-, blijkt een netto vakantiegeld van € 3.443,41: 12 = € 286,- netto per maand. Dit loon dient te worden vermeerderd met de buitengewone vakantietoelage (zie: Loonfiche Nr. 281.10 Jaar 2017 terzake een Buitengewone vakantietoelage). Het betreft een bedrag van € 1.780,- : 12 maanden = € 148,36 netto per maand. Het netto loon van de vrouw in 2017 bedraagt op basis van deze gegevens dan in ieder geval in totaal afgerond € 1.924,- netto per maand. Daarbij komt dat de loonstroken voor de maanden november en december ontbreken. De vrouw heeft haar totaal netto loon in 2017 niet inzichtelijk gemaakt en het hof constateert dat het - mogelijk nog aan te vullen - loon van € 1.924,- netto per maand niet substantieel afwijkt van hetgeen de vrouw in 2016 verdiende. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat het hof dan ook uit van een fiscaal loon van € 26.229,-, zoals blijkt uit de aangifte Inkomstenbelasting 2016, alsmede van het daaruit volgend, door de man gestelde en door de vrouw niet betwiste, netto besteedbaar inkomen van € 1.993,- per maand. 5.9.1. De vrouw heeft nog gesteld dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 30,45 per maand bij haar netto besteedbaar inkomen heeft opgeteld ter zake door de vrouw ontvangen Belgische kinderbijslag, bestaande uit een basistoeslag van € 92,09 per maand, een leeftijdstoeslag van € 16,04 per maand en een jaarlijkse toeslag van € 43,86, onder aftrek van de door de man ontvangen en door de man aan de vrouw doorbetaalde Nederlandse kinderbijslag. De man heeft de stelling van de vrouw betwist. Hij is van mening dat een bedrag van € 175,- per maand moet worden opgeteld. 5.9.2. Het hof overweegt het volgende. Uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde productie 6 blijkt dat de vrouw ter zake de Belgische kinderbijslag een basistoeslag ontvangt van € 18,83 per maand. Niet is gebleken dat de vrouw de leeftijdstoeslag en de jaarlijkse toeslag niet ontvangt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat [de minderjarige] , op advies van haar school, logopedie heeft, waarvoor de vrouw kosten heeft gesteld van € 44,- per maand. Ook heeft de vrouw gesteld dat zij kosten voor overblijven en huiswerkklas voor [de minderjarige] heeft van € 50,- per maand. Het hof overweegt dat de vrouw de Belgische kinderbijslag dient aan te wenden ter bestrijding van in redelijkheid te maken schoolkosten en kosten van logopedie. Gelet daarop zal het hof de Belgische kinderbijslag niet aan het netto besteedbaar inkomen van de vrouw toevoegen. 5.10. Het hof gaat met ingang van 9 maart 2017 uit van een draagkracht van de vrouw van: 70% [€ 1.993,- - (0,3 x € 1.993,- + € 905,-)] = € 343,- per maand. Met betrekking tot het jaar 2018 heeft de vrouw slechts loonstroken tot en met september 2018 heeft overgelegd. De loonstrook van december, met daarin eventueel een cumulatief loon vermeld, en nadere gegevens met betrekking tot onder meer de vakantietoelage en/of de buitengewone vakantietoelage ontbreken. Nu het inkomen van de vrouw in 2017 niet veel afwijkt van dat in 2016, gaat het hof met ingang van ingang van 1 augustus 2018, mede bij gebrek aan nadere adequate inkomensgegevens betreffende het jaar 2018, in redelijkheid uit van een zelfde netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2018 als in 2016 en 2017 ad € 1.993,- per maand. Het voorgaande met ingang van 1 augustus 2018 tot een draagkracht van de vrouw van: 70% [€ 1.993,- minus (0,3 x € 1.993,- + € 920,-)] = € 333,- per maand. Draagkrachtvergelijking 5.11. De vrouw heeft ter zitting nog aangevoerd dat afgeweken dient te worden van het gebruikelijke rekensysteem waarbij de draagkracht van partijen wordt vergeleken en vervolgens uitsluitend aan de zijde van de man rekening wordt gehouden met de zorgkorting. Naar haar mening moet de man, weliswaar onder aftrek van een zorgkorting, met zijn volledige draagkracht bijdragen in de kosten van [de minderjarige] . Het hof gaat niet mee in de stelling van de vrouw nu in deze zaak niet is gebleken van enige gerechtvaardigde reden die tot een dergelijke afwijking van het gebruikelijke rekensysteem zou moeten leiden. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De draagkracht van de man en vrouw vergeleken, leidt tot het navolgende overzicht: 2017 2018 Draagkracht man € 579,72 € 609,40 Draagkracht vrouw € 343,- ====== € 333,- ====== Totale draagkracht partijen € 922,72 € 942,40 Aandeel man in de kosten van [de minderjarige] per maand € 579,72 : € 922,72 = 0,628 x € 700,- = € 439,60 € 609,40 : € 942,40 = 0,647 x € 710,50 = € 459,70 Zorgkorting 5.12. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een zorgkorting van 25%. Zij is van mening dat een zorgkorting van 15% passend is, hetgeen de man gemotiveerd heeft betwist. Conform de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen is het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] gemiddeld twee dagen per week bij de man verblijft, zodat het hof, evenals de rechtbank, een percentage van 25% in aanmerking neemt. Met ingang van 9 maart 2017 bedraagt de zorgkorting 25% x € 700,- = € 175,- per maand en met ingang van 1 januari 208 bedraagt de zorgkorting 25% x € 710,50 = € 177,63 per maand, welke bedragen in mindering dienen te worden gebracht op voormeld aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] . 5.13.1. Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderalimentatie met ingang van 9 maart 2017 in beginsel € 439,60 minus € 175,- = € 264,60 per maand bedraagt en met ingang van 1 augustus 2018 € 459,70 minus € 177,63 = € 282,07 per maand. De man heeft bij de brief van zijn advocaat aan het hof van 7 december 2018 weliswaar verzocht, opnieuw rechtdoende, de kinderalimentatie voor [de minderjarige] te bepalen op € 291,- per maand, doch de man heeft dit verzoek ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet nader toegelicht. Het hof overweegt dat van de vrouw niet verwacht kon worden dit verzoek, door de man in een laat stadium ingediend (te weten vier dagen voor de mondelinge behandeling), zonder nadere toelichting, die ontbreekt, op te vatten als een incidenteel hoger beroep van de man welk verzoek ook niet als zodanig is opgevat. Nu er geen sprake is van een incidenteel hoger beroep en het hof geen beslissing mag nemen die ongunstiger voor de vrouw is dan hetgeen in de bestreden beschikking is bepaald (dit is het verbod op reformatio in peius in hoger beroep), dient het hof de kinderalimentatie te bepalen op het bedrag dat door de rechtbank is bepaald, althans dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 6De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 24 januari 2018, wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en A.J. van de Rakt en bijgestaan door de griffier en is op 28 februari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
ECLI:NL:GHSHE:2019:4620
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer : 200.234.056/01 zaaknummer rechtbank : C/01/319164 / FA RK 17-1448 beschikking van de meervoudige kamer van 19 december 2019 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. E.E. Frenken te Boxmeer, en [jongmeerderjarige] , wonende te [woonplaats] , hierna: [jongmeerderjarige] , voor wie als procesvertegenwoordiger optreedt: de vrouw, advocaat mr. E.E. Frenken te Boxmeer, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr.
ECLI:NL:PHR:2014:1908

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling familie- en jeugd recht zaaknummer : 200.256.951/01 zaaknummer rechtbank : C/02/350746 FA RK 18-5519 beschikking van de meervoudige kamer van 27 februari 2020 inzake [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de man, advocaat mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 28 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1.

De vrouw is op 21 maart 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 28 februari 2019. 2.2. De man heeft op 10 mei 2019 een verweerschrift ingediend. 2.3. Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 april 2019 met bijlagen, ingekomen op 3 april 2019; - een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2020 - een faxbericht van de zijde van de man van 9 januari 2020 met bijlagen, ingekomen op 9 januari 2020. 2.4. De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2020 plaatsgevonden.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.5. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw opgemerkt dat genoemd faxbericht van de zijde van de man van 9 januari 2020 binnen de tiendagentermijn is ingediend. Voorts heeft zij op de mondelinge behandeling diverse berekeningen overgelegd. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van deze berekeningen. Om de aanwezigen in de gelegenheid te stellen deze berekeningen te kunnen bekijken heeft het hof een korte leespauze ingelast. Het hof is van oordeel dat de genoemde stukken van beide zijden kunnen worden meegenomen omdat partijen daarop over en weer voldoende hebben kunnen reageren. 3De feiten 3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast. 3.2. Partijen zijn geregistreerd partners geweest vanaf 13 mei 2015. 3.3. Partijen zijn de ouders van: - [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] . 3.4. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 20 maart 2018 is het geregistreerd partnerschap van partijen ontbonden. De beschikking is op 27 juni 2018 ingeschreven in het betreffende register van de burgerlijke stand.

Bij de beschikking van 20 maart 2018 is voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna ook: kinderalimentatie) dient te voldoen van € 310,- per maand met ingang van datum inschrijving beschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.5. Op [geboortedatum] 2018 is geboren [minderjarige 2] (hierna ook: [minderjarige 2] ) geboren, de zoon van de man en zijn nieuwe partner mevrouw [nieuwe partner van de man] . 4De omvang van het geschil 4.1.

Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 20 maart 2018, de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2018 nader bepaald op nihil. 4.2. De grieven van de vrouw zien op de gang van zaken in eerste aanleg, naar het hof begrijpt de schending van het beginsel van hoor en wederhoor, en op de draagkracht van de man. De vrouw heeft verzocht haar hoger beroep gegrond te verklaren en bij beschikking, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het verzoek van de man in eerste aanleg d.d. 15 oktober 2018 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen.

Kosten rechtens. 4.3. De man heeft verzocht, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de gestelde schending van hoor en wederhoor in eerste aanleg 5.1. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden door het verweerschrift van de vrouw buiten beschouwing te laten, oordelende dat dit te laat was ingediend. Het hof gaat aan deze grief voorbij, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep. Wijziging van omstandigheden 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man is, naast zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 1] , ook onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 2] geworden.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] opnieuw moet worden beoordeeld. Ingangsdatum 5.3. De ingangsdatum van de te wijzigen kinderalimentatie is tussen partijen in geschil. Het hof bepaalt de ingangsdatum op 22 oktober 2018, zijnde de datum waarop de man zijn verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie bij de rechtbank heeft ingediend en de vrouw met ingang van deze datum in redelijkheid rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie zoals de man heeft verzocht.

Hoogte behoefte [minderjarige 1] 5.4. Ter mondelinge behandeling is de behoefte van [minderjarige 1] met partijen besproken. De man heeft zich ter mondelinge behandeling akkoord verklaard met een behoefte van [minderjarige 1] in 2018 van € 639,45 per maand, geïndexeerd met ingang van 1 januari 2019 van € 652,24 per maand en met ingang van 1 januari 2020 van € 668,55 per maand, zoals de vrouw, mede gelet op het bij beschikking van 20 maart 2018 overwogene, heeft berekend. Het hof gaat daarvan uit. Zorgkorting 5.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen al enige tijd geen uitvoering meer hebben gegeven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zoals is bepaald bij beschikking van 20 maart 2018; gedurende deze periode is er geen contact meer geweest tussen de man en [minderjarige 1] .

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben beide partijen verklaard zich, in het belang van [minderjarige 1] , te gaan inspannen om het contact tussen [minderjarige 1] en de man te herstellen en na een korte periode van opbouw toe te zullen gaan werken aan contact tussen de man en [minderjarige 1] zoals bij beschikking van 20 maart 2018 is bepaald. Gelet op het voorgaande en mede gelet op het gegeven, zoals hieronder blijkt, dat het hof de vast te stellen kinderalimentatie berekent over twee perioden, gaat het hof voor de periode van 18 oktober 2018 tot 1 januari 2020 uit van een zorgkorting van 0% en met ingang van 1 januari 2020, gelet op de intentie van partijen ter mondelinge behandeling, van een zorgkorting conform de voormelde beschikking van 20 maart 2018 van 15%.

Hoogte behoefte [minderjarige 2] 5.6. De behoefte van [minderjarige 2] is tussen partijen in geschil. 5.6.1. Het hof overweegt dat voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige 2] uitgegaan moet worden van het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en van mevrouw [nieuwe partner van de man] in 2018. Het betreft het feitelijk inkomen van hen beiden. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige 2] uitgegaan moet worden van het fictieve inkomen waarop de rechtbank destijds de draagkracht van de man bij beschikking van 20 maart 2018 heeft gebaseerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2018 een WW-uitkering had van afgerond € 2.120,- netto per maand. Ter zake het inkomen van mevrouw [nieuwe partner van de man] heeft de man gesteld dat uitgegaan moet worden van € 1.720,- netto per maand. In de door de vrouw ter mondelinge behandeling overgelegde berekeningen heeft de vrouw, uitgaande van deze voormelde inkomensgegevens (waarmee zij zich heeft geconformeerd aan het door de man gestelde netto inkomen van mevrouw [nieuwe partner van de man] ) een behoefte van [minderjarige 2] berekend van € 400,- per maand.

De man heeft zich met die (basis)behoefte akkoord verklaard, zodat het hof daarvan uitgaat. 5.6.2. De man heeft gesteld dat de behoefte van [minderjarige 2] moet worden verhoogd met de kosten van kinderopvang. De man heeft gesteld dat mevrouw [nieuwe partner van de man] 20 uur per week werkt, gemiddeld 80 uur per maand, gedurende welke tijd [minderjarige 2] naar de kinderopvang gaat. De man heeft de kosten van de kinderopvang gesteld op netto € 247,08 per maand, welke kosten de vrouw gemotiveerd heeft betwist. Gelet op zowel de door de man overgelegde overschrijving per bank aan “ [kinderopvang] ” van 24 juli 2019 van € 632,08 als het door de man overgelegde overzicht kinderopvangtoeslag 2020 (productie 3 bij journaalbericht van 9 januari 2020) en de toelichting die de man ter mondelinge behandeling op deze stukken heeft gegeven, blijkt dat er sprake is van netto kosten voor kinderopvang zoals door de man gesteld.

Het hof gaat daarvan uit, daarmee meewegend dat deze kosten ook als redelijke kosten worden beschouwd. De (basis) behoefte van [minderjarige 2] wordt met deze kosten verhoogd. 5.6.3. Samenvattend stelt het hof de behoefte van [minderjarige 2] in 2018 op € 647,08 per maand, en, analoog aan de wettelijke indexering, met ingang van 1 januari 2019 op € 660,02 per maand en met ingang van 1 januari 2020 op € 676,52 per maand. Draagkracht onderhoudsplichtigen Draagkracht van de vrouw Inkomen van de vrouw 5.7. De vrouw heeft gesteld dat voor de berekening van haar aandeel in de kosten van [minderjarige 1] uitgegaan moet worden van een gemiddelde winst uit haar onderneming berekend over de jaren 2017 en 2018 van € 15.762,- per jaar.

De man heeft dat weersproken. Hij is van mening dat uitgegaan moet worden van de winst uit onderneming in 2018 van € 18.847,- en, gelet op het feit dat de onderneming naar verwachting nog zal groeien, van een winst uit onderneming van € 21.000,-. 5.7.1. Het hof overweegt het navolgende. De vrouw heeft onweersproken ter mondelinge behandeling verklaard dat zij in augustus 2017 is gestart met haar kappersonderneming, handelend onder de naam ‘ [kappersonderneming] ’, en dat zij in 2017 een winst heeft gerealiseerd van € 12.687,-. De winst in 2018 bedroeg € 18.847,-, zoals ook blijkt uit de door de vrouw overgelegde aangifte IB 2018.

Het hof constateert dat de vrouw geen jaarstukken heeft overgelegd en dat onder meer ook de voorlopige cijfers 2019 en een prognose 2020 ontbreken. Voor de berekening van de kinderalimentatie met ingang van 22 oktober 2018 gaat het hof uit van de in 2018 gerealiseerde winst uit onderneming van € 18.847,-. Nu de onderneming van de vrouw zich nog in een opbouwende fase bevindt en de resultaten in 2017 en 2018 een stijgende lijn vertonen en deze lijn zich naar verwachting redelijkerwijs na 2018 zal voortzetten gaat het hof, mede bij gebrek aan nadere verificatoire gegevens, uit van een in redelijkheid te behalen winst van € 20.000,- in 2020.

Het hof zal gelet hierop een ‘knip’ maken met ingang van 1 januari 2020. 5.7.2. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de vrouw met ingang van 22 oktober 2018 op € 1.878,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 op € 1.961,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekeningen (zie bijlagen I en II). Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Het netto besteedbaar inkomen wordt verhoogd met het te ontvangen kindgebonden budget.

De draagkracht wordt vastgesteld met ingang van 22 oktober 2018 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 920,-) op € 276,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 975,-) op € 288,- per maand (zie bijlagen I en II). Draagkracht van de man 5.8. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat hij geen draagkracht meer heeft voor het betalen van kinderalimentatie voor [minderjarige 1] . De vrouw heeft in hoger beroep gesteld dat de man, mede gelet op de verdeling van de kosten van de beide kinderen over alle onderhoudsplichtigen, voldoende draagkracht heeft om een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] te voldoen van € 446,- per maand.

Inkomen van de man 5.9. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat de man, tot 4 februari 2019, een WW-uitkering heeft gehad. Bij de beschikking van 20 maart 2018 heeft de rechtbank ten aanzien van de draagkracht van de man echter overwogen dat er destijds sprake was van herstelbaar en verwijtbaar inkomensverlies, zodat de rechtbank voor de berekening van de draagkracht van de man is uitgegaan van het voormalig fiscaal inkomen van de man van € 32.000,- per jaar. Het hof gaat voor de berekening met ingang van 18 oktober 2018 uit van voormeld fiscaal inkomen van € 32.000,-.

De vrouw heeft ter mondelinge behandeling gesteld dat het fiscaal inkomen van de man met ingang van 4 februari 2019 is gestegen. Op grond van de door de man overgelegde loonstroken (productie 4 bij het journaalbericht van 9 januari 2020) heeft de vrouw een fiscaal inkomen van de man berekend van € 32.236,-. De man heeft dit niet weersproken. Gelet op het geringe verschil in fiscaal inkomen in 2018 en 2019 ziet het hof geen aanleiding om met ingang 4 februari 2019 een ‘knip’ te maken, doch nu de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 in verband met het inkomen van de vrouw opnieuw zal worden berekend gaat het hof met ingang van 1 januari 2020 uit van een fiscaal inkomen van € 32.236,-. 5.10.

Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man met ingang van 22 oktober 2018 op € 2.063,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 op € 2.176,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekeningen (bijlagen II en IV). Met ingang van 18 oktober 2018 hebben de man en mevrouw [nieuwe partner van de man] geen recht op kindgebonden budget gelet op de hoogte van hun gezamenlijke inkomen. Met ingang van 1 januari 2020 houdt het hof rekening met een kindgebonden budget waar de man en mevrouw [nieuwe partner van de man] recht op hebben van € 15,- per maand en verdeelt het hof dit kindgebonden budget tussen hen beiden, mede bij gebrek aan standpunten van partijen op dit punt, naar redelijkheid en billijkheid in de verhouding € 7,- en € 8,- per maand (zie bijlagen IV en VI).

Draagkrachtloos inkomen van de man 5.11. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling gesteld, onder verwijzing naar jurisprudentie op dat punt (onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:717 en Hof ’s-Hertogenbosch 19 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4620) dat niet uitgegaan moet worden van de forfaitaire woonlast maar van de lagere werkelijke woonlast van de man, met name niet omdat de behoefte van [minderjarige 1] niet zal worden gedekt. De man heeft dat gemotiveerd weersproken. Het hof ziet in het door de vrouw gestelde geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire systeem nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat toepassing ervan in dit geval leidt tot een resultaat dat in strijd is met de wettelijke maatstaven dan wel onaanvaardbaar moet worden geacht (zie de conclusie van de AG bij HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1908), temeer daar de man, zoals hieronder zal blijken, op basis van het forfaitaire systeem wel degelijk draagkracht heeft tot het betalen van enige substantiële kinderalimentatie voor [minderjarige 1] . 5.12.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. De draagkracht van de man bedraagt, overeenkomstig de voormelde formules, met ingang van 22 oktober 2018 € 367,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 € 384,- per maand (zie bijlagen III en IV). Draagkracht mevrouw [nieuwe partner van de man] 5.13. Omdat mevrouw [nieuwe partner van de man] , evenals de man, onderhoudsplichtig is jegens [minderjarige 2] en dit mede van belang is voor de draagkracht die de man beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] , berekent het hof de draagkracht van mevrouw [nieuwe partner van de man] als volgt.

Inkomen van mevrouw [nieuwe partner van de man] 5.14. Het hof gaat uit van de door de vrouw ter mondelinge behandeling door de vrouw overgelegde berekening en de daarin opgenomen uitgangspunten, welke berekening de man niet heeft weersproken, en waaruit een fiscaal inkomen van de mevrouw [nieuwe partner van de man] blijkt van € 20.736,-. Het netto besteedbaar inkomen van mevrouw [nieuwe partner van de man] bedraagt met ingang van 22 oktober 2018 € 1.720,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 € 1.736,- per maand. De draagkracht van mevrouw [nieuwe partner van de man] bedraagt, conform de voormelde formules, met ingang van 22 oktober 2018 € 199,- per maand en met ingang van 1 januari 2020 € 168,- per maand (zie bijlagen V en VI).

Kinderalimentatie van 18 oktober 2018 tot 1 januari 2020 5.15. De draagkracht van de man wordt verdeeld naar rato van de behoefte van de beide kinderen. Het hof verwijst voor de berekening van het aandeel van de man en van mevrouw [nieuwe partner van de man] in de kosten voor [minderjarige 2] naar bijlage VII. De man heeft voor [minderjarige 1] een draagkracht beschikbaar van € 182,- per maand. Nu de man en de vrouw tezamen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, dient de man zijn voor [minderjarige 1] beschikbare draagkracht van € 182,- per maand geheel aan te wenden om in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien (bijlage VII).

Met ingang van 18 oktober 2018 bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie € 182,- per maand. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2019 € 185,64 per maand. Kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 5.16. Met ingang van 1 januari 2020 heeft de man een draagkracht voor [minderjarige 1] beschikbaar van afgerond € 193,- per maand. Ook met ingang van 1 januari 2020 hebben de man en de vrouw tezamen onvoldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien. Er is een tekort van afgerond € 195,- per maand.

De man heeft recht op zorgkorting van afgerond € 101,- per maand, doch nu het tekort van het aandeel van de ouders kleiner is dan tweemaal de zorgkorting, wordt het tekort aan beide ouders toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort van afgerond € 99,- per maand in mindering komt op zijn zorgkorting. De man kan een zorgkorting realiseren van afgerond € 3,- per maand. Het voorgaande leidt ertoe dat de man met ingang van 1 januari 2020 een kinderalimentatie dient te voldoen van € 189,- per maand (zie bijlage VIII). Proceskosten 5.17.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt, nu partijen (gewezen) geregistreerd partners zijn. 5.18. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6De beslissing

Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 28 februari 2019, en opnieuw beschikkende: wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 20 maart 2018 uitsluitend voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , en in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] dient te betalen: - van 18 oktober 2018 tot 1 januari 2019 een bedrag van € 182,- per maand, - van 1 januari 2019 tot 1 januari 2020 een bedrag van € € 185,64 per maand, - met ingang van 1 januari 2020 een bedrag van € 189,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans, L.Th.L.G. Pellis en M.L.F.J. Schyns en is op 27 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.