Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSHE:2020:499 ECLI:NL:GHSHE:2020:499 AI generated

ECLI:NL:GHSHE:2020:499 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Case Number ECLI:NL:GHSHE:2020:499
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Kenmerk: 19/00116 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 januari 2019, nummer SHE 18/2068, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Valkenswaard , hierna: de heffingsambtenaar, betreffende de hierna vermelde aanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 6.080 (hierna: de aanslag).

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht, artikel 3:41 Awb, artikel 6:9 Awb, artikel 6:11 Awb; ECLI:NL:GHSHE:2020:499 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch: Dit is anders indien de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 4.2. Op grond van artikel 3:41 Awb vindt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht plaats door toezending of uitreiking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).

Keywords

AI generated
artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht artikel 3:41 Awb artikel 6:9 Awb artikel 6:11 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
artikel 3:41 Awb
Op grond van artikel 3:41 Awb vindt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht plaats door toezending of uitreiking.
artikel 6:9 Awb
Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb).
artikel 6:11 Awb
Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2014:930
18 april 2014 nr. 13/04796 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 september 2013, nr. BK-12/00747, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 12/3020) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2004:AO5064
39245, ECLI:NL:HR:2004:AO5064, BNB 2004/200, met betrekking tot de bezwaartermijn, en HR 6 december 1989, nr.
ECLI:NL:HR:2000:AA5141
Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 150.000,-- met een verhoging van f 1.000,-- vanwege niet tijdige aangifte. In het tegen deze aanslag gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2016:5224
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 15/00754 uitspraakdatum: 28 juni 2016 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] BV, .gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2015, nummer AWB 14/7125, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Apeldoorn (hierna: de inspecteur) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 44.122. Daarbij is een bedrag van € 1.860 aan heffingsrente in rekening gebracht. Tevens is een vergrijpboete opgelegd van € 4.412. 1.2. De Inspecteur heeft bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 26 september 2014 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 7 mei 2015 het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 17 juni 2015 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. 1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016 te Arnhem. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C] . 1.8. Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. 1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is opgericht [in] 2000. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en de reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. Deze activiteiten worden verricht op het adres [a-straat] 40 te [Z] . Auto-onderdelen van belanghebbende liggen opgeslagen in een gehuurde opslagloods aan de [b-straat] 3 te [D] . 2.2. Op 4 juni 2013 heeft een statutenwijziging plaatsgevonden, waarbij belanghebbendes naam ‘ [E] BV’ is gewijzigd in ‘ [X] BV’. 2.3. Bij brief van 6 juni 2013 heeft de Kamer van Koophandel Oost Nederland onder meer het volgende aan belanghebbende bericht: “ [E] [b-straat] 3 [D] Onderwerp Wijziging van gegevens Geachte heer, mevrouw, Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan. (…)” 2.4. In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld: “Rechtspersoon: Rechtsvorm : Besloten vennootschap Naam : [X] B.V. Statutaire zetel : [Z] (…) Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013 (…) ---------------------------------------------------------------------------- Onderneming: Handelsna(a)m(en) : [E] [X] B.V. (…) Adres : [b-straat] 3, [D] (…)” 2.5. Op 10 juni 2013 heeft de Inspecteur de van de Kamer van Koophandel doorgekregen wijzigingen in het systeem Beheer van Relaties van de Belastingdienst (hierna: BVR-systeem) verwerkt en heeft daarin als vestigingsadres van belanghebbende [b-straat] 3 te [D] opgenomen. 2.6. Op 19 juni 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een controlerapport toegezonden op het adres [a-straat] 40 te [Z] . 2.7. Bij brief van 20 juni 2013 heeft de Kamer van Koophandel Oost Nederland onder meer het volgende aan belanghebbende bericht: “ [X] B.V. [a-straat] 40 [Z] Onderwerp Wijziging van gegevens Geachte heer, mevrouw, Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan. (…)” 2.8. In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld: “Rechtspersoon: Rechtsvorm : Besloten vennootschap Naam : [X] B.V. Statutaire zetel : [Z] (…) Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013 (…) ---------------------------------------------------------------------------- Onderneming: Handelsna(a)m(en) : [X] B.V. (…) Adres : [b-straat] 3, [D] Correspondentieadres : [a-straat] 40, [Z] (…)” 2.9. Met dagtekening 29 juli 2013 heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag omzetbelasting gezonden naar het adres [b-straat] 3 te [D] . 2.10. Op 5 augustus 2013 heeft belanghebbende een volmacht verstrekt aan mr. [A] om belanghebbende te vertegenwoordigen. Daarin is onder meer het volgende opgenomen: “VOLMACHT De ondergetekende: a. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [X] BV, statutair gevestigd te [Z] [RSIN …], bezoekadres: [D] , [b-straat] 3, postadres: [Z] , [a-straat] 40, (…) machtigt hierbij tot wederopzegging: De heer mr. [A] , fiscaal jurist, te (…), met recht van substitutie, om: (…)” 2.11. Belanghebbende heeft bij brief van 12 september 2013, ontvangen door de Inspecteur op 13 september 2013, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De Inspecteur heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 2.12. Bij brief van 29 januari 2014 heeft de Kamer van Koophandel te Arnhem onder meer het volgende aan belanghebbende bericht: “ [X] B.V. [a-straat] 40 [Z] Onderwerp Wijziging van gegevens Geachte heer, mevrouw, Vandaag hebben wij uw wijzigingsopgave(n) ingeschreven in het handelsregister. Op het bijgevoegde ‘Bericht van Registratie’ ziet u het resultaat van de verwerking hiervan. (…)” 2.13. In het bijgevoegde Bericht van Registratie is onder meer het volgende vermeld: “Rechtspersoon: Rechtsvorm : Besloten vennootschap Naam : [X] B.V. Statutaire zetel : [Z] (…) Akte laatste statutenwijziging : 04-06-2013 (…) ---------------------------------------------------------------------------- Onderneming: Handelsna(a)m(en) : [X] B.V. (…) Adres : [a-straat] 40, [Z] (…)” 2.14. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, dat het bezwaarschrift daartegen niet tijdig is ingediend en dat van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. De Rechtbank heeft het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaard. 3Geschil 3.1. In geschil is of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 3.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, omdat het aanslagbiljet niet naar het juiste adres is verzonden. Volgens belanghebbende had het aanslagbiljet niet naar het in het handelsregister vermelde vestigingsadres [b-straat] 3 te [D] moeten worden gestuurd, maar naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres [a-straat] 40 te [Z] . 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4. Indien belanghebbende in het gelijk zou worden gesteld, dringen partijen aan op een verdere inhoudelijke behandeling van het geschil door het Hof. 4Overwegingen 4.1. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en een boetebeschikking bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken. 4.2. Het Hof heeft vastgesteld dat het aanslagbiljet is gedagtekend op 29 juli 2013. De bezwaartermijn eindigt dan in beginsel op 9 september 2013. Het bezwaarschrift van belanghebbende, gedagtekend 12 september 2013, is ingekomen op 13 september 2013. Het bezwaarschrift is mitsdien niet voor het einde van de termijn ingediend. 4.3. Belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn later aanvangt. Het aanslagbiljet is volgens belanghebbende ten onrechte naar het vestigingsadres [b-straat] 3 te [D] gezonden. Het aanslagbiljet had naar het in het handelsregister opgenomen correspondentieadres [a-straat] 40 te [Z] moeten worden toegezonden. Door deze onjuiste adressering heeft volgens belanghebbende het aanslagbiljet hem eerst kort voor 11 september 2013 bereikt. 4.4. Indien de bekendmaking van het aanslagbiljet geschiedt door toezending, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. In een zodanig geval vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van terpostbezorging. 4.5. Voornoemde regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt en zulks het gevolg is van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan de Belastingdienst is te verwijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39.245, ECLI:NL:HR:2004:AO5063). In dat geval vangt de bezwaartermijn pas aan op de dag van de ontvangst van het aanslagbiljet (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141). 4.6. Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat het aanslagbiljet belanghebbende niet tijdig heeft bereikt, niet het gevolg is van een fout van de Belastingdienst. De Ontvanger heeft de verzending van het aanslagbiljet op juiste wijze uitgevoerd, nu het door hem gehanteerde adres [b-straat] 3 te [D] het vestigingsadres van belanghebbende betrof zoals zij dit aan de Kamer van Koophandel heeft doorgegeven. In artikel 1, onderdeel j, van de Handelsregisterwet 2007 wordt onder een vestiging verstaan een gebouw of complex van gebouwen waar duurzame uitoefening van de activiteiten van een onderneming of rechtspersoon plaatsvindt. Uitsluitend dit vestigingsadres was als authentiek gegeven in het BVR-systeem van de Belastingdienst verwerkt. Naar het oordeel van het Hof is de Ontvanger, nu belanghebbende geen postadres aan de Belastingdienst heeft doorgegeven voor de toezending van de aanslagbiljetten, terecht uitgegaan van het adres waarop belanghebbende gevestigd is en was hij niet gehouden het bij de Kamer van Koophandel geregistreerde correspondentieadres te gebruiken. 4.7. Het vorenstaande brengt het Hof tot het oordeel dat de Ontvanger, door het aanslagbiljet te verzenden naar [b-straat] 3 te [D] , de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt, zodat daags na de dagtekening van het aanslagbiljet de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aangevangen. Het bezwaarschrift is alsdan niet voor het einde van de termijn ingediend. 4.8. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 4.9. Belanghebbende heeft in hoger beroep herhaald dat zij eerst op 12 september 2013 bezwaar heeft kunnen maken omdat de Inspecteur het aanslagbiljet naar een onjuist adres heeft gezonden. Naar het oordeel van het Hof had het op de weg van belanghebbende gelegen om, voor zover het adres in [D] niet het vestigingsadres van de onderneming was, het juiste vestigingsadres aan de Kamer van Koophandel door te geven dan wel het juiste postadres aan de Inspecteur. Omdat zij dit heeft nagelaten, is de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar. Boetebeschikking 4.10. Het hoger beroep heeft mede betrekking op de opgelegde boetebeschikking. 4.11. Het Hof merkt op dat de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de boetebeschikking, afzonderlijk beoordeeld dienen te worden (vgl. HR 25 april 2008, nr. 43.871, ECLI:NL:HR:2008:BD0469). In de boeteprocedure kan de niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de Inspecteur de onjuistheid van belanghebbendes stellingen heeft bewezen (vgl. HR 10 april 2009, nr. 08/02908, ECLI:NL:HR:2009:BI0550). 4.12. In het onderhavige geval is niet in geschil dat het aanslagbiljet naar het adres [b-straat] 3 te [D] is gezonden, welk adres door toedoen van belanghebbende bij de Kamer van Koophandel is opgenomen als haar vestigingsadres. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen postadres aan de Belastingdienst heeft doorgegeven voor de toezending van het aanslagbiljet. De late kennisneming van de boete is derhalve te wijten aan het handelen of nalaten van belanghebbende zelf. Ook het bezwaar tegen de boetebeschikking is derhalve niet-ontvankelijk. Slotsom 4.13. Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard. Belanghebbende komt reeds daarom niet in aanmerking voor vergoeding van de door haar gestelde schade. 5Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2016. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 28 juni 2016 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Kenmerk: 19/00116 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 januari 2019, nummer SHE 18/2068, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar van de gemeente Valkenswaard , hierna: de heffingsambtenaar, betreffende de hierna vermelde aanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 6.080 (hierna: de aanslag).

In de uitspraak op het bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 338. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 519. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 november 2019 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] . Namens belanghebbende is niemand verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 23 september 2019, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs.

Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 24 september 2019 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd. 1.5. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 2Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het hof komen vast te staan. 2.1. Aan belanghebbende is de aanslag (zie 1.1) opgelegd. De aanslag is gedagtekend 30 juni 2016 en gericht aan: “ [belanghebbende] [adres 1] [postcode 1] [plaats 1] ”. De aanslag is opgelegd voor het hebben van een terras bij een horeca-inrichting.

De horeca-inrichting betreft ‘ [horeca] ’, gelegen aan [adres 1] , [postcode 1] in [plaats 1] . 2.2. Op 31 mei 2018 heeft de heffingsambtenaar een betalingsherinnering gestuurd. De betalingsherinnering is gericht aan: “ [belanghebbende] [adres 2] [postcode 2] [plaats 2] ”. 2.3. Belanghebbende heeft op 6 juni 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaarschrift is op 8 juni 2018 door de heffingsambtenaar ontvangen. In het bezwaarschrift schrijft belanghebbende dat zij de aanslag nooit heeft ontvangen. 2.4. In de uitspraak op bezwaar met dagtekening 11 juli 2018 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 2.5.

Belanghebbende heeft een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd. Dit uittreksel vermeldt een overzicht van (de historie van) belanghebbendes vestigingsadressen. In dit overzicht staat – voor zover hier van belang – het volgende: Adres Datum ingang [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] 8-10-2013 [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] 16-11-2015 3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Vooraf 4.0. Zoals volgt uit de onder 1.4 vermelde stukken is de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 24 september 2019 uitgereikt. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Ten aanzien van het geschil Wettelijk kader 4.1. Op grond van artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In artikel 22j, aanhef en onderdeel a, Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat de termijn voor het maken van bezwaar tegen een belastingaanslag aanvangt op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet.

Dit is anders indien de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 4.2. Op grond van artikel 3:41 Awb vindt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht plaats door toezending of uitreiking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 Awb). Bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb).

Standpunten partijen 4.3. Belanghebbende stelt de aanslag niet te hebben ontvangen. Belanghebbende betoogt dat de aanslag niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. De aanslag is ten onrechte gestuurd naar het voormalige vestigingsadres [adres 1] te [plaats 1] . Volgens belanghebbende had de aanslag naar haar toenmalige vestigingsadres aan de [adres 2] in [plaats 2] verzonden moeten worden. 4.4. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanslag naar het juiste adres is verzonden. Bij het bepalen van de belastingplicht is uitgegaan van de vergunning op basis van de Drank- en Horecawet.

Via een aanvraagformulier met dagtekening 20 oktober 2016 is door [A BV] verzocht om de tenaamstelling van de vergunning op basis van de Drank- en Horecawet te wijzigen. Deze vergunning stond tot die datum op naam van belanghebbende. Aangezien de vergunning op basis van de Drank- en Horecawet ten tijde van de aanslagoplegging nog op naam stond van belanghebbende is de aanslag, aldus nog steeds de heffingsambtenaar, naar het juiste adres verzonden. Bekendmaking aanslag 4.5. In zijn arrest van 18 april 2014, nr. 13/04796, ECLI:NL:HR:2014:930 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“3.3.4. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. Die regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een verkeerde adressering die aan deze dienst is te wijten. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. HR 5 maart 2004, nr. 39245, ECLI:NL:HR:2004:AO5064, BNB 2004/200, met betrekking tot de bezwaartermijn, en HR 6 december 1989, nr. 25909, BNB 1990/177, met betrekking tot de toepassing van artikel 5 AWR in het kader van de aanslagtermijn). 3.3.5.

Indien de aanslag niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is aan de strekking van de regels over bekendmaking van besluiten niettemin voldaan indien de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger het aanslagbiljet of een afschrift daarvan ontvangt. Voor de toepassing van artikel 5 AWR moet het aanslagbiljet dan worden geacht de voorafgaande dag aan de belanghebbende te zijn toegezonden (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34999, ECLI:NL:HR:2000:AA5141, BNB 2000/220, met betrekking tot de bezwaartermijn). De stelplicht en bewijslast met betrekking tot feiten die deze uitzondering rechtvaardigen, rusten bij de inspecteur.”. 4.6.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag verstuurd naar het voormalige vestigingsadres van belanghebbende waar zij tot 16 november 2015 was gevestigd. De aanslag is niet verzonden naar het toenmalige vestigingsadres waar belanghebbende sinds 16 november 2015 was gevestigd en dat zij had doorgegeven aan de Kamer van Koophandel. Het hof is van oordeel dat de bekendmaking van de aanslag daarmee niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, nr. 15/00754, ECLI:NL:GHARL:2016:5224). De heffingsambtenaar had namelijk moeten uitgaan van het vestigingsadres dat bekend was bij de Kamer van Koophandel.

Belanghebbende kon en mocht volstaan met het doorgeven van een gewijzigd vestigingsadres aan de Kamer van Koophandel en was niet verplicht om deze wijziging ook door te geven aan de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar is ook niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende toch bekend is geworden met de aanslag of een afschrift daarvan door toezending van de aanslag naar het voormalige vestigingsadres. 4.7. Belanghebbende heeft op 6 juni 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag naar aanleiding van de betalingsherinnering van 31 mei 2018.

Een afschrift van het aanslagbiljet is gevoegd als bijlage bij het verweerschrift van de heffingsambtenaar in de beroepsfase van 10 december 2018. Dat betekent dat de aanslag, weliswaar niet door de toezending naar het voormalige vestigingsadres, maar wel op een later, binnen de aanslagtermijn gelegen moment, op de juiste wijze bekendgemaakt. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 4.8. Belanghebbende heeft het hof niet verzocht om zelf in de zaak te voorzien en het hof beschikt ook niet over alle benodigde stukken om zelf in de zaak te voorzien.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat in dat laatste geval de zaak dient te worden teruggewezen. Het hof wijst de zaak daarom terug naar de heffingsambtenaar om opnieuw te beslissen op het bezwaar. Slotsom 4.9. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De zaak wordt teruggewezen naar de heffingsambtenaar om opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar. Ten aanzien van het griffierecht 4.10. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 338 respectievelijk € 519 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten 4.11. Het hof acht geen redenen aanwezig voor een vergoeding van de kosten van bezwaar. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de heffingsambtenaar op bezwaar heeft beslist. 4.12. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep en het beroep bij de rechtbank gegrond is. 4.13.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep op 2 (punten) x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.050. De tegemoetkoming voor het hoger beroep stelt het hof op 1 (punt) x € 525 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 525. 5Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog ontvankelijk; draagt de heffingsambtenaar op opnieuw uitspraak op bezwaar te doen; bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 857 vergoedt; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 1.575.

Aldus gedaan op 13 februari 2020 door J.M. van der Vegt, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; een dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel 7:15, lid 3, Awb. 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting. 1 punt voor het beroepschrift in hoger beroep.