Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSHE:2020:4093 ECLI:NL:GHSHE:2020:4093 AI generated

ECLI:NL:GHSHE:2020:4093 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Case Number ECLI:NL:GHSHE:2020:4093
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00575 Uitspraak op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde (thans: gemeente Midden Groningen), hierna: de heffingsambtenaar, en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 6 december 2016, nummers LEE 14/2689 en 14/5298, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:GHSHE:2020:4093 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch: Op grond van artikel 228a, lid 1 van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen - kort gezegd - ter beheersing van de grondwaterstand. In artikel 228a, lid 3 van de Gemeentewet is bepaald dat onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, mede wordt verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.

Keywords

AI generated
artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2019:1424
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 19/01561 Datum 27 september 2019 ARREST In de zaak van HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE MENTERWOLDE (thans: gemeente Midden Groningen) tegen [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019, nrs. 17/00033 en 17/00034, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 14/2689 en 14/5298) betreffende aan belanghebbende voor de jaren 2013 en 2014 opgelegde aanslagen in de rioolheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2017:3082
8 december 2017 nr. 17/00071 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en het incidenteel beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 december 2016, nr. 15/00815, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 14/1839) betreffende aanslagen in de rioolheffing eigenaren voor het jaar 2013 van de gemeente Someren. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2018:7681
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers 17/00022, 17/00023 en 17/00024 uitspraakdatum: 28 augustus 2018 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de erven [X] te [Z] (hierna gezamenlijk aangeduid als: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 december 2016, nummers AWB 15/3781, 15/3782 en AWB 15/3783, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft aan [X] (hierna: erflater) voor het jaar 2013 ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaken gelegen aan de [a-straat 1] te [Z] en de [b-straat 2] te [Z] , aanslagen in de rioolheffing van de gemeente Nijmegen opgelegd. Ter zake van de laatstgenoemde onroerende zaak heeft de heffingsambtenaar aan erflater eveneens een aanslag in de rioolheffing voor het jaar 2014 opgelegd. 1.2 Na daartegen door erflater gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. 1.3 Erflater is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 1 december 2016 ongegrond verklaard. 1.4 Erflater heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Erflater is overleden op 29 juni 2017. De erven hebben de lopende procedure voortgezet. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018 te Arnhem. Daarbij is verschenen mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [B] , bijgestaan door [C] , [D] en [E] . 1.7 De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan verstrekt aan het Hof en aan de wederpartij. 1.8 Met instemming van partijen zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen van [F] , de erven [G] en [H] , rolnummers 17/00105 tot en met 17/00127, 17/00133 tot en met 17/00173, 17/00175 tot en met 17/00198 en 17/00200. Namens hen is ter zitting verschenen mr. [I] . 1.9 Van het verhandelde ter zitting is met instemming van partijen één proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Erflater was eigenaar van de onroerende zaken, plaatselijk bekend [a-straat 1] en [b-straat 2] te [Z] . Het betreft woonhuizen die zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. 2.2 Onder het Gemeentelijke Rioleringsplan van de gemeente Nijmegen (hierna: het GRP) voor de jaren 1994 – 2005 werden de kapitaallasten (rente en afschrijving) van de vervangingsinvesteringen jaarlijks verminderd met bedragen uit de zogenoemde voorziening ‘GRP-oud’. Die voorziening werd deels gevoed uit de toenmalige rioolrechten en deels uit de algemene middelen. 2.3 Op grond van een besluit van de Raad van de gemeente Nijmegen wordt met ingang van 2006 een rioolrecht (en met ingang van 2009 een rioolheffing) geheven die volledig kostendekkend zal zijn. Het besluit voorziet in een zogenoemd gesloten stelsel van rioolrechten/-heffingen hetgeen inhoudt dat alle bedragen die worden geïnd als rioolrecht dan wel rioolheffing worden en blijven gereserveerd ter dekking van de kosten van de riolering en, in de jaren 2009 en volgende, alle kosten die de gemeente moet maken voor de uitvoering van de haar opgedragen waterbeheertaken als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof onweersproken verklaard dat het gesloten stelsel in de gemeente Nijmegen inhoudt dat zelfs de efficiency- en aanbestedingswinsten die bij de uitvoering van de begrote werkzaamheden worden gemaakt, enkel worden aangewend ten behoeve van de vorenbedoelde taken. 2.4 Onder het GRP 2006 – 2009 werden de kapitaallasten verminderd met bedragen uit de voorziening ‘GRP‑nieuw’, ook wel ‘Schommelfonds’ genoemd, welke voorziening volledig werd gevoed met ontvangen rioolrechten/-heffingen. Ultimo 2009 waren, afgerond, € 3,8 miljoen en € 175.000 aan investeringen uit het GRP 2006 – 2009 respectievelijk het GRP 1994 – 2005 nog niet (definitief) gerealiseerd. Het Schommelfonds bedroeg ultimo 2009, afgerond, € 7,1 miljoen. 2.5 In zijn arrest van 16 januari 2015, nr. 13/04173, ECLI:NL:HR:2015:67 (hierna: het arrest uit 2015) heeft de Hoge Raad met betrekking tot het rioolrecht van de gemeente Nijmegen voor het jaar 2006, in het algemeen, beslist dat het in procedures met betrekking tot de zogenoemde limietoverschrijding (artikel 229b van de Gemeentewet) erom gaat of bij de ramingen van de lasten de toerekening van lasten aan het desbetreffende jaar niet in strijd komt met de voor de gemeente gelden comptabiliteitsvoorschriften. Voorts heeft de Hoge Raad in dat arrest beslist dat van de handelwijze van de gemeente Nijmegen, onder meer inhoudend dat de in enig jaar in het Schommelfonds opgenomen spaarbedragen nog in hetzelfde jaar worden afgeboekt op de vervangingsinvesteringen, niet kan worden gezegd dat deze in strijd komt met de voor haar geldende comptabiliteitsvoorschriften. Naar het oordeel van de Hoge Raad leidt het door de gemeente Nijmegen in 2006 toegepaste financieringssysteem niet tot een overschrijding van de opbrengstlimiet. 2.6 Het Hof heeft bij uitspraken van 15 december 2015 de beroepen van erflater met betrekking tot de aan hem voor de jaren 2007, 2008 en 2009 opgelegde aanslagen, ongegrond verklaard met – onder meer – toepassing van het in 2.5 genoemde arrest, evenals de beroepen van een groot aantal andere belanghebbenden in soortgelijke zaken. Erflater heeft de daartegen ingediende beroepschriften in cassatie ingetrokken. Voor zover door andere belanghebbenden beroepschriften in cassatie zijn ingediend, zijn zij eveneens ingetrokken dan wel door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. 2.7 De Raad van de gemeente Nijmegen heeft op 14 oktober 2009 het Gemeentelijke Rioleringsplan 2010 – 2016 vastgesteld. In dit GRP is onder meer het volgende opgenomen: “(…) 8 Lasten, baten en personeel Het hoofdstuk Kosten, baten en personeel beschrijft: - de financiële structuur van het GRP 2010-2016 en de financiële uitgangspunten daarbij (8.1) - de kosten (8.2) om de doelen te bereiken en hoeveel personeel daarvoor nodig is (8.5) - de hoogte en ontwikkeling van de baten/rioolheffing (8.3) en de Geïntegreerde Voorziening GRP (…) Financiële structuur Uitgangspunt is dat de financiële structuur een in de periode 2010-2016 gelijkblijvend riooltarief mogelijk maakt. Belangrijke doel is verder een transparanter, helderder en zo eenvoudig mogelijke structuur, met zuivere toepassing van het zogenaamde spaarsysteem voor alle vervangings- en verbeteringsinvesteringen en van een geïntegreerde voorziening, waarin de drie te onderscheiden componenten voor onderhoud, spaardeel voor investeringen en jaarlijkse financiële resultaten in samenhang met elkaar, maar wel apart zichtbaar worden bewaakt en verantwoord. Sinds het verschijnen van het GRP 2005-2009 heeft de Commissie BBV een notitie over rioleringen en heeft de Gemeentelijke Rekenkamer in 2008 haar “Nazorgonderzoek riolering” alsook in maart 2009 de “Handreiking wettelijke eisen rond financiële stromen riolering” uitgebracht. Van deze stukken en met name van de stukken van de Rekenkamer is uitgebreid gebruik gemaakt bij het vervolmaken van de financiële structuur. Een en ander is vertaald in de volgende opzet: Rekenperiode egalisatie rioolheffing Om schommelingen in de rioolheffing te voorkomen vindt egalisatie via een voorziening plaats over een bepaalde termijn. We kiezen daarbij voor een periode van 20 jaar. Hiermee voorkomen we dat er na de looptijd van dit GRP 2010-2016 een grote verandering van het tarief optreedt. Zo’n verandering zou immers impliceren dat kosten naar de toekomst zijn doorgeschoven of onterecht bij de huidige gebruikers in rekening worden gebracht. De gekozen termijn van 20 jaar hangt ook samen met de onder ‘’Investeringen’’ beschreven systeemwijziging. Argument is ook dat de gekozen termijn goed aansluit bij de “Handreiking wettelijke eisen rond financiële stromen riolering” van de Rekenkamer, waarin zij stelt dat een termijn van 10 tot 20 jaar voor tariefstelling acceptabel is. Een langere termijn waarover egalisatie van de heffing plaatsvindt voor wat betreft de kostendekkendheid van het riooltarief is niet realistisch, omdat naarmate deze termijn langer wordt de hardheid van de ramingen afneemt. Investeringen Bij het opstellen van het GRP 2005-2009 is nog uitgegaan van drie systematieken voor de dekking van de investeringen. Bij de Update GRP 2005- 2009 is al teruggegaan naar twee systematieken, te weten: - afschrijven in 40 jaar van de investeringen voortvloeiende uit GRP’s van voor 2005; - een soort spaarsystematiek voor de investeringen voortvloeiend uit het GRP 2005-2009. Wij willen een stap verder gaan ter wille van een optimale toepassing van de spaarsystematiek, en ter vergroting van transparantie en van eenduidigheid. Allereerst: Hoe werkt de spaarsystematiek?  In de begroting wordt een structurele dotatie geraamd die jaarlijks in de voorziening wordt gestort om zo te sparen voor de investeringen alsmede om zo de afbouw van de boekwaarde van de geactiveerde investeringen te financieren;  Investeringen worden geactiveerd in de balans;  De spaarcomponent (het ontvangen spaardeel uit het rioolrecht) dient als bijdrage van derden hierop in mindering te worden gebracht (exclusief de interne rentelasten);  Wat resteert is dan de boekwaarde, waarvoor dus nog geen spaarbedragen zijn ontvangen en die in de balans dient te worden opgenomen. Wij kiezen er voor alle investeringen, dus zowel voor de boekwaarde van de geactiveerde investeringen als voor de in de toekomst te plegen investeringen, te verwerken via de systematiek van sparen in een voorziening (onderdeel van de hieronder nader omschreven Geïntegreerde Voorziening GRP). Dit betekent dat de boekwaarde van de geactiveerde investeringen op de balans circa € 31,3 mln nu ook onder deze spaarsystematiek dienen te worden gebracht. Bij de berekening van de spaarcomponent voor deze ´oude´ investeringen gaan we uit van een afschrijving over een termijn van 20 jaar. Met deze termijn is er op korte termijn geen noemenswaardig verschil tussen het spaarbedrag voor deze ´oude´ investeringen vergeleken met de huidige kapitaalslasten bij meerjarig afschrijven over 40 jaar. Onderhoud Om de lasten voor onderhoud gelijkmatig te spreiden kiezen we voor een jaarlijkse gelijke dotatie vanuit de exploitatie aan een voorziening (onderdeel van de Geïntegreerde Voorziening GRP). Deze dotatie bedraagt jaarlijks circa € 2,3 mln. (…) Financiële resultaten op de exploitatie De werkelijke lasten en baten zullen afwijken van de ramingen. Dat geldt dus voor drie componenten:  onderhoud  spaardeel investeringen  overige exploitatiekosten Deze worden gestort/onttrokken aan een voorziening (onderdeel van de Geïntegreerde voorziening GRP). Kostendekkendheid tarief In de bepaling van de tarieven (rioolheffing) is kostendekkendheid leidend. De wettelijke regel schrijft voor dat de geplande opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten. Ook wordt bij vaststelling van het tarief rekening gehouden met ‘De handreiking kostentoerekening leges en tarieven 2007’, opgesteld door Deloitte in opdracht van het ministerie van Biza. Jaarlijks balans opmaken Jaarlijks zal bij de jaarrekening worden aangegeven hoe de omvang van de geïntegreerde voorziening zich verhoudt met het meerjarenkader en de werkelijke lasten voor investeringen, onderhoud en de overige exploitatie en de ontwikkeling van de rioolrechten. Dit is dan ook het moment om op basis van de bevindingen eventueel aanpassingen voor te stellen en/of keuzes te maken ten aanzien van de voorziening. Het gevolg kan dan zijn om tot heroverweging van de tariefstelling over te gaan. Areaaluitbreiding Ook in de komende jaren zal Nijmegen zowel uitbreidings- als inbreidingsprojecten hebben, de zogenaamde areaaluitbreidingen. Dit zal in de eerste jaren, bij gelijkblijvend tarief (rioolheffing) een voordeel opleveren omdat de extra baten van de extra volumes (woningen/ niet-woningen) hoger zullen zijn dan de extra lasten. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de investeringen voor rioolaanleg uit planexploitaties worden gedekt en dus niet via de rioolheffing hoeven te worden gedekt. Het is onzeker wanneer en in welke hoeveelheden het areaal zich uitbreidt. Daarom is het lastig de financiële effecten hiervan planmatig in te schatten. Om die reden kiezen we er primair voor om in dit GRP 2010-2016 geen rekening te houden met areaaluitbreidingen maar deze jaarlijks in november bij de vaststelling van de begroting en bij de vaststelling van de hoogte van het rioolrecht, in beeld te brengen en zo nodig te vertalen naar noodzakelijke aanpassingen (denk aan aanpassingen in de sfeer van onderhoudslasten en baten rioolrecht). (…) 8.3. Baten: rioolheffing Alle kosten voor de gemeentelijke watertaken worden gedekt uit de opbrengsten van de rioolheffing. De rioolheffing is een bestemmingsbelasting, dat wil zeggen dat de opbrengsten alleen aangewend mogen worden voor een specifieke bestemming, in dit geval de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. De opbrengsten mogen op begrotingsbasis niet meer dan kostendekkend zijn (wel minder). (…) De gemiddelde rioolheffing blijft in de periode 2010 tot en met 2016 vrijwel constant en vertoont slechts een zeer geringe fluctuatie. Ten opzichte van 2009 (gemiddelde rioolheffing € 195,00) zal de gemiddelde rioolheffing in de jaren 2010-2016 circa 25% lager liggen, exclusief indexering. Het tarief wordt jaarlijks in november door de raad vastgesteld. Indexering In dit GRP zijn alle lasten en baten berekend op prijspeil 1 januari 2010. Jaarlijks zal aan de hand van de loon- en prijsstijgingen die zich hebben voorgedaan de lasten en baten worden bijgesteld. 8.4. Voorziening Binnen de bestaande regels en wetgeving kiezen we voor een zo eenduidig en eenvoudig mogelijke en transparante financiële structuur. Er is daarom gekozen voor een geïntegreerde voorziening waarin de drie componenten voor spaardeel voor investeringen, onderhoud en jaarlijkse financiële resultaten in samenhang met elkaar, maar wel apart zichtbaar worden, en gescheiden geregistreerd en beheerd worden. Door de nieuwe Geïntegreerde Voorziening GRP komt de huidige Voorziening GRP-nieuw (ook wel ‘schommelfonds’ genoemd) te vervallen. De totstandkoming en de stand van de Geïntegreerde Voorziening GRP per 1-1- 2010 is als volgt (bedragen in €): Stand per 1-1-2009 8.154.026 Mutaties 2009: - Dotatie 2009 (cf. begroting) 6.605.476 - Onttrekking 2009 (o.b.v. prognose 'gerealiseerde investeringen GRP 2005-2009' in het jaar 2009; cf. NJN melding) - 7.657.000 SUBTOTAAL mutaties -1.051.524 Stand per 1-1-2010 7.102.502 (…) Per 1-1-2010 bedraagt de stand van de Geïntegreerde Voorziening GRP € 7,1 mln. Hiervan wordt € 1,6 mln ingezet voor de onderhoudsvoorziening. Dit geld is nodig om de piek aan onderhoudslasten in de eerste jaren op te vangen. Wij achten het terecht om een deel van de voorziening ‘te besteden’ aan onderhoud omdat inhoudelijk gezien het nieuwe GRP 2010-2016 het accent verlegt van investeren naar onderhouden/repareren. We zouden als alternatief ook het riooltarief in 2010 en 2011 extra kunnen verhogen. Dat gaat echter in tegen ons uitgangspunt van een gelijkmatig riooltarief voor de burger. Het restant is onderdeel van de voorziening t.b.v. investeringen (€ 5,5 mln). Het verloop van de (onderdelen van de) Geïntegreerde Voorziening GRP is opgenomen in bijlagen 8.2.a (spaarbedrag investeringen, bijlage 8.2.b (dotatie onderhoud) en 8.2.d (Geïntegreerde Voorziening GRP).” 2.8 In de bijlage 8.2a bij het GRP 2010-2016 is, op basis van de uitgangspunten in dat plan, voor de jaren 2010 tot en met 2029 een benodigd spaarbedrag berekend van € 6.909.000 per jaar. Dit bedrag is, zoals door de heffingsambtenaar ook ter zitting van de Rechtbank is toegelicht, samengesteld uit bedragen voor afbouw van de balanspositie per 1 januari 2010, rente en vervangingsinvesteringen. Uitgaande van de boekwaarde per 1 januari 2010 van de gepleegde rioleringsinvesteringen (€ 31.383.000), van de op 1 januari 2010 nog uit te voeren investeringen uit het GRP 2005-2009 (€ 3.820.000) en uit het tot en met 2004 geldende GRP (€ 175.000), van een post aanleg (10 jaar € 50.000 en 10 jaar € 20.000) en van de vernieuwing- en verbeteringsinvesteringen volgens het GRP 2010-2016 en rekening houdend met een rentefactor, wordt een spaarbedrag van € 6.909.000 berekend, met als resultaat dat de boekwaarde van de investeringen na 20 jaar op ongeveer nihil staat. 2.9 De GRP-voorziening start op 1 januari 2010 met het saldo van het schommelfonds aan het einde van het voorafgaande jaar, verdeeld in reserveringen voor vervanging (€ 5.502.502) en onderhoud (€ 1.600.000). Aan het vervangingsdeel wordt jaarlijks het hierboven genoemde spaarbedrag (afgezien van actualiseringen) toegevoegd en de aanwending daarvan onttrokken (in 2010 dus € 6.909.000). Daarnaast wordt jaarlijks 10 percent van het saldo per 1 januari 2010 ten gunste van de exploitatie onttrokken. Aan het onderhoudsdeel wordt een vast (gecalculeerd) bedrag ten laste van de exploitatie toegevoegd en worden de werkelijke kosten ten gunste van de exploitatie onttrokken. Daarnaast wordt ook jaarlijks 10 percent van het saldo van de onderhoudsvoorziening per 1 januari 2010 ten gunste van de exploitatie onttrokken. Ten slotte worden op de GRP-voorziening de exploitatieresultaten gemuteerd. 2.10 Tot de stukken van het geding behoren overzichten “Rioleringskosten obv de primitieve begroting” voor de jaren 2010 tot en met 2014. Voor het jaar 2014 (de methodiek in de andere jaren is dezelfde) zijn daarin (telkens zowel in de kolom ‘Primitieve begroting’ als in de kolom ‘Basisberekening rioolrecht’; Hof: bedoeld zal zijn: rioolheffing) de volgende gegevens vermeld. Onderhoud 1.374.028 + reparatie 946.155 (werkelijke kosten) 2.320.183 Onderzoek 217.609 Planvorming 358.177 Voorlichting en klachtafhandeling 163.972 Beheer 262.098 Bijzondere posten (o.a. btw en straatvegen) 2.787.231 Kapitaallasten (Hof: geactualiseerd bedrag) 6.687.000 Subtotaal 12.796.270 Voorziening GPR-nieuw Spaarcomponent (dotatie) 6.687.000 Dekking kapitaallasten (onttrekking) -6.687.000 Normonderhoud (dotatie) 2.211.647 Werkelijk onderhoud (onttrekking) -2.320.183 Vrijval afbouw oude reserve/resultaat onderhoud/exploitatieresultaat -758.750 Subtotaal -867.286 Totale lasten 11.928.984 Totale baten -11.928.984 2.11 De Accountantskamer, ingesteld bij de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra), heeft, op een klacht van erflater tegen de registeraccountants die de jaarrekeningen van de gemeente Nijmegen voor de jaren 2006 tot en met 2012 goedkeurden, de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. De Accountantskamer heeft daarbij geoordeeld dat zij: “4.11 Gelet op de tekst van genoemde wettelijke voorschriften en op de door de Commissie voor het BBV opgestelde interpretaties en verduidelijking van het BBV, (…) van oordeel [is] dat betrokkene sub 2) van opvatting mocht zijn dat de door de gemeente gekozen wijze van verslaggeving van de vervangingsinvesteringen in het riool strookte met de bepalingen van het BBV.” Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het hoger beroep van erflater tegen de uitspraak van de Accountantskamer, deels onder verwijzing naar het in 2.5 genoemde arrest, ongegrond verklaard. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de aanslagen rioolheffing rechtsgeldig aan erflater zijn opgelegd. Het geschil spitst zich in hoger beroep nog toe op de volgende vragen: a. Is sprake van een onredelijke en willekeurige rioolheffing doordat de afschrijvingen van de vervangingsinvesteringen en verbeteringen van het rioleringsstelsel op een onjuiste manier worden opgenomen in het kostenoverzicht waardoor de geraamde baten hoger zijn dan de geraamde lasten en de zogenoemde opbrengstlimiet is overschreden, zodat de rioolheffing in strijd is met artikel 228a van de Gemeentewet? Is het daarbij, ook onder toepassing van dat artikel, toegestaan om onder ‘lasten’ mede te verstaan bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa? b. Is de rioolheffing in strijd met Richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: de KRW)? 3.2 Belanghebbende meent dat de antwoorden op bovenstaande vragen leiden tot onverbindendheid van de Verordening Rioolheffing 2013 en de Verordening rioolheffing 2014 van de gemeente Nijmegen (hierna voor elk jaar: de Verordening). 3.3 De heffingsambtenaar is van mening dat op grond van (inmiddels vaste) rechtspraak over de opgeworpen vragen de Verordening jegens belanghebbende verbindend is en dat de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de heffingsambtenaar, en tot vernietiging van de opgelegde aanslagen. 3.6 De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil Ad a: de limietoverschrijding 4.1 Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, door de gemeente een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan – kort gezegd – de verwerking van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater, en aan maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 4.2 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de geraamde lasten ter zake niet mogen overtreffen. Voor het onderhavige belastingjaar komt aan artikel 229b van de Gemeentewet in dit verband geen betekenis (meer) toe. Dit laat onverlet dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig kan worden toegepast (vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, nummer 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192). Uit de wetsgeschiedenis blijkt eveneens dat naar de bedoeling van de wetgever geen wijziging is gekomen in de mogelijkheid die gemeenten hadden om onder de lasten mede op te nemen bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa (artikel 229b, tweede lid, onderdeel a van de Gemeentewet). Ook de Commissie BBV, ingesteld op grond van artikel 75 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (hierna: het BBV), gaat in haar Notitie riolering van november 2014 (hierna: de Notitie) hiervan uit (onderdeel 3 van de Notitie, voetnoot 2). De andersluidende visie van belanghebbende, verwoord in grief 5 van het hoger beroep (onderdeel van het geschil onder a.), stuit daarop af. 4.3 Bij het vorenstaande verdient nog opmerking dat de gewijzigde wettelijke opzet van de rioolheffing met zich brengt dat tot de zogenoemde “lasten ter zake” meer kosten kunnen worden gerekend dan onder de voormalige heffing van rioolrechten het geval was. Tot die kosten behoren thans immers ook de kosten van het inzamelen van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan, alsmede van het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 4.4 In de gemeente Nijmegen wordt een rioolheffing geheven op grond van de voor de onderhavige jaren geldende Verordeningen. De rioolheffing wordt geheven van – kort gezegd en voor zover hier van belang – degene die het genot heeft krachtens eigendom van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De maatstaf van heffing is de waarde in het economische verkeer van het perceel. Het tarief bedraagt het in de Verordening genoemde percentage van de heffingsmaatstaf, tot een – eveneens in de Verordening vermeld – maximum. 4.5 Belanghebbende stelt – kort gezegd en zakelijk weergegeven – dat de Verordening overbindend is. In strijd met de voorschriften die inhouden dat de investeringen moeten worden geactiveerd en in 40 jaar moeten worden afgeschreven, worden de investeringen in één keer afgeschreven en onder de lasten opgenomen. De accountants van de gemeente hebben dat toegegeven in de procedure voor de Accountantskamer. Ook de heffingsambtenaar heeft het in de onderhavige procedure erkend. Van een spaarsysteem, waarbij bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen ten laste van de exploitatie aan de GRP-voorziening mogen worden toegevoegd, is dan geen sprake en in zoverre is de Hoge Raad in eerdere procedures verkeerd voorgelicht. In het kielzog van die eerdere arresten van de Hoge Raad hebben de Accountantskamer, het Cbb, de Rechtbank en het Hof in andere procedures en procedures over latere jaren onjuist beslist. Door nog niet gerealiseerde investeringen uit de vorige Gemeentelijke Rioleringsplannen mee te nemen ontstaat een dubbeltelling, evenals door het opnemen van spaarbedragen voor de afboeking van de balanswaarde. Omdat in het gestelde systeem ineens wordt afgeschreven is er geen balanswaarde. Dubbeltelling ontstaat ook door de opgenomen post van € 50.000 voor ‘Aanleg’, althans, daardoor worden kosten meegenomen die niet toegelaten zijn omdat geen sprake is van vervanging of onderhoud. Ten onrechte heeft, aldus nog steeds belanghebbende, de Rechtbank geoordeeld dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde baten en lasten. De opbrengstlimiet is overschreden. 4.6 Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. 4.7 Het tarief is gebaseerd op een raming van de baten en lasten zoals opgenomen in het overzicht Rioleringskosten op basis van de primitieve begroting (hierna ook: Overzicht Rioleringskosten), dat voor elk jaar behoort tot de stukken van het geding. Tot de stukken van het geding behoren tevens de stukken en toelichtingen die door de gemeente Nijmegen zijn verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Ter zitting van het Hof zijn al deze stukken nader toegelicht, mede aan de hand van het Overzicht Rioleringskosten voor het jaar 2014 zoals dat onder de feiten is opgenomen waaraan de heffingsambtenaar ten behoeve van de uitleg ter zitting een opsomming heeft toegevoegd van de lasten zoals die, per saldo, in aanmerking zijn genomen voor de berekening van het tarief van de rioolheffing. Die opsomming luidt (zie ook 2.10): “Spaarcomponent (dotatie) 6.687.000 Normonderhoud (dotatie) 2.211.647 Vrijval afbouw oude reserve/resultaat onderh./expl. Resultaat - 758.750 Overige kosten 2.422.684 BTW-druk 1.366.404 11.928.985 ========” 4.8 De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat hij het Overzicht Rioleringskosten heeft samengesteld ten behoeve van de lopende procedures over de rioolheffing en dat de daarin opgenomen bedragen zijn terug te vinden in de basisbegroting en de daaraan ten grondslag liggende begrotingen op hoofdstukken en productbegrotingen zoals die zijn voorgeschreven in de voor gemeenten geldende comptabiliteitsvoorschriften. De bedragen die daarin zijn opgenomen vinden, onder meer, naar hun aard en uitgangspunten hun oorsprong in het GRP 2010-2016 dat door de gemeenteraad is aangenomen. De cijfers stemmen niet exact daarmee overeen omdat na het aannemen van het GRP de cijfers jaarlijks zijn aangepast aan de ontwikkelingen, de inflatie en gewijzigde rentestanden. Zoals blijkt uit de Overzichten Rioleringskosten zijn de bedragen daardoor ook naar beneden bijgesteld. Het toegepaste systeem zoals dat in het GRP is beschreven, is echter niet gewijzigd. Het geheel staat in het licht van de door de gemeenteraad uitgesproken wens om in de toekomst te komen tot een ideaalcomplex waarbij de spaarbedragen in evenwicht zijn met de vervangings- en verbeteringsinvesteringen in, en de onderhoudskosten van het riool. Voor het overige wordt de begroting, zoals voorgeschreven, opgemaakt aan de hand van de gegevens van het lopende jaar en de vastgestelde rekening over het daaraan weer voorafgaande jaar. Ook met die gegevens wordt rekening gehouden ten einde de ramingen zo goed mogelijk af te stemmen met de (definitieve) cijfers van de meest recente jaren. 4.9 Gelet op de inhoud van de stukken van het geding en de door de heffingsambtenaar daarop gegeven toelichting acht het Hof aannemelijk dat het stelsel van vaststellen van de baten en de lasten ten behoeve van de rioolheffing van de gemeente Nijmegen voor de onderhavige jaren in essentie niet verschilt van het systeem dat van toepassing was voor de jaren 2006 tot en met 2009. Daarbij is niet van belang dat hier en daar in de stukken, in plaats van het juiste ‘afboeken van de voorziening op de investeringen’ gesproken wordt van ‘afschrijving ineens van de investeringen’. Het komt erop aan wat de bedoeling is geweest van de gemeenteraad toen hij het GRP 2010-2016 en de daarmee in overeenstemming zijnde begrotingen voor de jaren van het GRP vaststelde. Dat bij aanvang in het GRP 2010-2016 de vóór 2010 wel geplande maar nog niet gerealiseerde investeringen en het bestaande saldo van de voorziening (het Schommelfonds) zijn ingebracht doet daaraan niet af, temeer niet nu de voorziening hoger was dan de nog te realiseren investeringen en die voorziening in 10 jaren ten gunste van de exploitatie wordt gebracht. Van het dubbel rekening houden met vóór 1 januari 2010 al geplande investeringen is dan ook geen sprake. Dit onderschrijft het gehanteerde uitgangspunt van het hiervoor omschreven gesloten stelsel waarin alle gelden die door middel van aanslagen in de rioolheffing door de gemeente worden opgehaald, worden besteed aan de rioleringskosten, ook over de jaargrenzen van de elkaar opvolgende Gemeentelijke Rioleringsplannen heen. Dat aldus sprake zou zijn van een dubbeltelling vermag het Hof niet in te zien. 4.10 Aan het oordeel dat in essentie sprake is gebleven van hetzelfde financieringssysteem doet naar het oordeel van het Hof ook niet af dat onder het GRP 2010-2016 ook spaarbedragen in de begroting zijn opgenomen ten behoeve van het gelijkmatig in 20 jaar afboeken van de balanswaarde van de investeringen per 1 januari 2010. Het Hof acht aannemelijk hetgeen daarover in het GRP is opgenomen, namelijk dat de daarvoor benodigde spaarbedragen, bij een gehanteerde periode van 20 jaar, niet wezenlijk verschillen van de kapitaallasten die anders in de begroting opgenomen zouden moeten worden. Weliswaar is de aanduiding spaarbedragen bij het verwerken van kapitaallasten van reeds gepleegde investeringen verwarrend, maar niet valt in te zien waarom die rente- en afschrijvingslasten niet zodanig zouden mogen worden vastgesteld dat de lasten worden gespreid om de heffingen zoveel als mogelijk gelijk te houden of niet meer dan trendmatig te verhogen of te verlagen. Evenmin als sparen voor investeringen uit het jaar zelf (vgl. het in 2.5 genoemde arrest) sluit de Notitie versneld afboeken van in het verleden gedane investeringen met later ontvangen spaarbedragen uit (vgl. Notitie, onderdeel 3): “(…) Als het gespaarde bedrag in de voorziening ‘vervanging riolering’ niet voldoende is om het volledige bedrag van de vervangingsinvesteringen te dekken blijft het resterende deel als boekwaarde van het actief staan. De kapitaallasten daarvan kunnen vervolgens in de berekening van het tarief worden meegenomen. De resterende boekwaarde mag ook versneld worden afgeboekt met later ontvangen bijdragen.”. Met zijn stelling dat die post ten onrechte is opgenomen omdat de investeringen in de nieuwe opzet ‘ineens worden afgeschreven’ miskent belanghebbende dat het hier gaat om investeringen van vóór 2005 die nog een balanswaarde hebben. Daar komt bij dat, zoals de heffingsambtenaar heeft toegelicht, ook onder het nieuwe stelsel het kan voorkomen dat het jaarlijkse spaarbedrag onvoldoende is om op de investeringen in mindering te brengen waardoor een balanswaarde overblijft die moet worden geactiveerd (en waarop toekomstige spaarbedragen in mindering mogen worden gebracht). 4.11 Uit het voorgaande volgt dat het systeem van heffing van het rioolrecht dan wel (met ingang van 2009) de rioolheffing, zoals dat in 2006 door de gemeente Nijmegen is ingevoerd, naar het oordeel van het Hof in de onderhavige jaren niet is gewijzigd. Het arrest van de Hoge Raad uit 2015 behoudt derhalve ook voor de onderhavige jaren zijn betekenis. Het door de gemeente Nijmegen in de onderhavige jaren toegepaste financieringssysteem leidt als zodanig niet tot een overschrijding van de opbrengstlimiet. 4.12 Belanghebbende heeft niet bestreden dat de gemeente Nijmegen in de onderhavige jaren vervangingsinvesteringen heeft gedaan en verbeteringen in het bestaande rioleringsstelsel heeft uitgevoerd. 4.13 Voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten van de rioolheffing de ter zake geraamde lasten overtreffen is de wijze, noch het tijdstip waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten bepalend. In een procedure als de onderhavige kan de heffingsambtenaar het vereiste inzicht in de desbetreffende ramingen verschaffen op basis van de gemeentelijke begroting op grond waarvan de tarieven in de Verordening zijn vastgesteld, of op basis van andere gegevens (vgl. Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236). 4.14 Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de geraamde baten de ‘lasten ter zake’ hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een ‘last ter zake’, dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, ten einde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen (vgl. Hoge Raad 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968). 4.15 De grieven van belanghebbende houden voor het merendeel in dat hij betwist dat met betrekking tot de opgevoerde kosten van riolering sprake is van lasten ter zake. Het had naar de mening van belanghebbende op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om nadere inlichtingen te verstrekken. De Rechtbank had niet zonder meer het door de heffingsambtenaar gestelde mogen aanvaarden. In hoger beroep bestrijdt belanghebbende nog slechts dat de opgevoerde spaarcomponent ten behoeve van de ‘Geïntegreerde Voorziening GRP nieuw’ als last kan worden aangemerkt. Met betrekking tot het aandeel van de reeds gepleegde en nog te plegen investeringen in de spaarcomponent verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. 4.16 Met betrekking tot het aandeel van de geraamde kosten van ‘Aanleg € 50.000’ (vanaf 2020: € 20.000 per jaar) in de spaarcomponent overweegt het Hof dat geen sprake is van uitbreidingskosten (waarvoor reservering niet is toegestaan) in eigenlijke zin. Het rioleringsnet als zodanig, dat ter plaatse reeds aanwezig is, wordt niet uitgebreid. Het gaat, aldus de toelichting van de heffingsambtenaar, om kosten voor rekening van de gemeente van aanleg van een voorziening (buis plus put) tussen de bestaande rioleringsbuis en de perceelgrens van percelen, veelal in de binnenstad, die nog niet op de riolering zijn aangesloten. Die kosten kunnen, anders dan de aansluitkosten, niet uit ter zake daarvan geheven leges worden voldaan. Naar het oordeel van het Hof kunnen die kosten worden aangemerkt als kosten van (toekomstige) verbeteringen en onderhoud van het bestaande rioleringsstelsel en mogen die kosten worden opgenomen onder de zogenoemde lasten ter zake. 4.17 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de totstandkoming van de kostenoverzichten en het financieringssysteem, is het Hof van oordeel dat daarmee tevens vaststaat dat de heffingsambtenaar – op het door belanghebbende thans nog bestreden onderdeel – naar behoren en in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van de baten en lasten in de gemeentebegroting voor zover deze de rioolheffing betreffen. Dat belanghebbende niet of onvoldoende is toegerust om een controle uit te voeren op de aangeleverde cijfers moet voor zijn risico blijven omdat dat niet kan afdoen aan de op hem rustende bewijslast. 4.18 Alsdan is aan de orde of van de heffingsambtenaar nader bewijs kan worden verlangd. Nu belanghebbende de geraamde baten niet gemotiveerd in twijfel heeft getrokken noch gemotiveerd heeft aangevoerd dat de in het overzicht opgenomen geraamde lasten (andere dan het hiervoor reeds beoordeelde Schommelfonds en ‘Aanleg € 50.000’) niet kunnen worden aangemerkt als ‘lasten ter zake’, beantwoordt het Hof die vraag ontkennend. 4.19 Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft verschaft en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opbrengstlimiet is overschreden. De in 3.1 onder a. genoemde beroepsgrond moet ook voor het overige (zie ook overweging 4.2) worden verworpen. Ad b: de KRW 4.20 Belanghebbende handhaaft, ook na het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017, nr. 17/00071, ECLI:NL:HR:2017:3082, zijn standpunt dat de rioolheffing van eigenaren/verhuurders in strijd is met de KRW. Het aanmerken van de eigenaar/verhuurder als vervuiler in de zin van die richtlijn en niet het feitelijke huishouden van de huurder-vervuiler, miskent naar de mening van belanghebbende zowel de tekst als de expliciete doelstelling van artikel 9 van de KRW. Belanghebbende beroept zich op analoge toepassing van het arrest HvJ EU, nr. C-293/97, Standley e.a. en Metson e.a., Jurispr. 1999, I-2603. 4.21 De KRW verbiedt niet de invoering of instandhouding van een rioolheffing zoals bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet, waarop de Verordening is gebaseerd. Het door belanghebbende ingenomen standpunt kan hooguit leiden tot de conclusie dat de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit die richtlijn niet correct zijn geïmplementeerd. Deze conclusie zou, zo deze al juist zou zijn, niet tot gevolg hebben dat artikel 228a van de Gemeentewet en de daarop gebaseerde Verordening verbindende kracht ontberen. Een andersluidend oordeel zou ook niet een (betere) implementatie van de KRW bewerkstelligen. Naar het oordeel van het Hof is een rechtstreeks beroep op artikel 9 van de KRW niet mogelijk aangezien de bewoordingen waarmee dit artikel verplichtingen oplegt aan de lidstaten een zodanige beoordelings- en beleidsvrijheid ten aanzien van de uitvoering daarvan kennen, dat geen sprake is van een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting. 4.22 In zijn in 4.20 genoemde arrest heeft de Hoge Raad – onder meer – geoordeeld: “(…) 2.2.1. Het Hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat artikel 9 van de KRW en het daarin neergelegde beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’ rechtstreekse werking heeft. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat dit beginsel niet ertoe dwingt kosten van inzameling en verwerking van hemelwater vanuit een perceel en kosten voor beheer en onderhoud van het rioolstelsel in rekening te brengen aan de gebruikers van dat perceel. Gelet op de beoordelingsmarge die een lidstaat heeft bij de implementatie van de KRW, is het dan ook toegestaan om de kosten ter zake van de inzameling en het transport van afvalwater van de gebruiker van een perceel te verhalen op de eigenaar van het perceel, aldus het Hof. (…) 2.3.1. Het eerste middelonderdeel betoogt dat van belanghebbende als eigenaar van de panden geen rioolheffing geheven kan worden, omdat dit in strijd is met het in de KRW neergelegde beginsel dat de vervuiler betaalt. 2.3.2. Belanghebbende is eigenaar van de panden die zij exploiteert door ze aan derden te verhuren. Zij geeft daarmee aan deze derden het recht gebruik van de panden te maken, waardoor op het riool is geloosd. Het stond de gemeentelijke wetgever vrij om belanghebbende, als eigenaar, aan te merken als vervuiler in de zin van de KRW en als zodanig in de heffing te betrekken, evenzeer als wanneer zij zelf rechtstreeks de lozingen op het riool zou hebben verricht. Het middelonderdeel faalt daarom.” 4.23 Uit de in 4.22 geciteerde overwegingen van het arrest van de Hoge Raad vloeit voort dat, ook als artikel 9 van de KRW rechtstreekse werking zou hebben, het beroep van belanghebbende op de KRW niet kan slagen. Het Hof voegt daaraan nog toe dat, anders dan belanghebbende meent, het arrest van de Hoge Raad niet een miskenning inhoudt van het door hem, belanghebbende, genoemde arrest van het HvJ EU. Voor de toepassing van het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ is het begrip ‘huishouden’ niet van doorslaggevende betekenis en voorts ziet belanghebbende over het hoofd dat de uitvoering door de gemeente van de watertaken als bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet meer inhoudt dan de zorg voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater. Tot die taken, waarvoor ter bestrijding van de kosten een rioolheffing kan worden geheven, behoren immers ook de behandeling van hemelwater en het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand, taken waarvan de uitvoering zeer wel ten dienste van de eigenaar/verhuurder van onroerende zaken kan staan. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. J.A. Monsma, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier. De beslissing is op 28 augustus 2018 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (E.D. Postema) (J.P.M. Kooijmans) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 augustus 2018. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
ECLI:NL:RBNNE:2016:5334
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 14/2689 en 14/5298 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 6 december 2016 in de zaak tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Verweerder heeft voor het jaar 2013 met dagtekening 31 januari 2013 aan eiseres aanslagen opgelegd in de rioolheffing tot een bedrag van in totaal € 361.307. Voor het jaar 2014 heeft verweerder met dagtekening 28 februari 2014 aan eiseres aanslagen opgelegd in de rioolheffing tot een bedrag van in totaal € 373.174.
ECLI:NL:GHARL:2019:1286
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Belastingkamer Locatie Leeuwarden nummers 17/00033 en 17/00034 uitspraakdatum: 12 februari 2019 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde (hierna: de heffingsambtenaar) en het (voorwaardelijke) incidentele hoger beroep van Woonstichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 december 2016, nummers LEE 14/2689 en 14/5298, in het geding tussen de heffingsambtenaar en belanghebbende 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2013 aanslagen in de rioolheffing aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van in totaal € 361.307. 1.2 De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2014 aanslagen in de rioolheffing aan belanghebbende opgelegd ten bedrage van in totaal € 373.174. 1.3 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de bestreden aanslagen gehandhaafd. 1.4 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank).
ECLI:NL:HR:2014:1192
23 mei 2014 Nr. 13/02955 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2013, nr. 10/00593, betreffende een aanslag in de afvalstoffenheffing. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de afvalstoffenheffing opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar is gehandhaafd. De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/4598) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de aanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep ongegrond verklaard en het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over een immateriële schadevergoeding. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 19/00575 Uitspraak op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Menterwolde (thans: gemeente Midden Groningen), hierna: de heffingsambtenaar, en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 6 december 2016, nummers LEE 14/2689 en 14/5298, in het geding tussen belanghebbende, en de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende aanslagen in de rioolheffing 2013 en 2014 opgelegd. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. 1.3. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard. 1.5. De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep en belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De heffingsambtenaar heeft het incidentele hoger beroep van belanghebbende beantwoord.

Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. 1.6. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 27 september 2019, nr. 19/01561, ECLI:NL:HR:2019:1424 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, maar uitsluitend voor zover deze de aanslag in de rioolheffing 2013 betreft en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad. 1.7.

Naar aanleiding van het verwijzingsarrest hebben de heffingsambtenaar en belanghebbende achtereenvolgens een conclusie ingediend. 1.8. De heffingsambtenaar en belanghebbende hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de wederpartij. 1.9. De zitting heeft met behulp van digitale communicatiemiddelen plaatsgevonden op 4 september 2020 te ‘s- Hertogenbosch. Tijdens de zitting zijn gehoord namens de heffingsambtenaar [A] , bijgestaan door [B] , en namens belanghebbende, [C] , bijgestaan door [D] . 1.10. Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof.

De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de heffingsambtenaar. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. 1.11. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. 1.12. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2Feiten 2.1. Belanghebbende is een woningcorporatie. Zij was bij het begin van belastingjaar 2013 genothebbende krachtens eigendom van de percelen ter zake waarvan bij de onderhavige aanslag rioolheffing is geheven. 2.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Hierbij heeft belanghebbende diverse stukken bij de heffingsambtenaar opgevraagd ter verkrijging van inzicht in de geraamde baten en lasten die ten grondslag liggen aan de rioolheffing voor, onder meer, het jaar 2013. 2.3. In de begroting van de gemeente Menterwolde voor het jaar 2013 (pagina 65) zijn ter zake van de rioolheffing voor het jaar 2013 de volgende lasten geraamd: Riolering (gemengde stelsels) 843.502 Riolering (huishoudelijk/bedrijfsafvalwater) 76.228 Riolering afvloeiend hemelwater 54.870 Rioolgemalen 267.526 50% kolkenzuigen/vegen wegen 32.225 Mutatie egalisatiereserve 155.560 Lasten 1.429.911 Hierbij is het volgende vermeld:

“In het verbreed Gemeentelijk rioleringsplan is een meerjarige calculatie gemaakt van de kosten van onderhoud en instandhouding van de gemeentelijke riolering en daaraan gekoppeld de ontwikkeling van het tarief van het rioolrecht. Het vGRP is o.a. gebaseerd op de volgende uitgangspunten: a. Streven naar een constante heffing (exclusief inflatiecorrectie) b. Instellen van een egalisatiereserve, teneinde tariefschommelingen te beperken c. In 4 jaar groeien naar het maximaal constante tarief d. Nieuwe rioolinvesteringen afschrijven in 20 jaar Op basis van deze uitgangspunten is berekend dat het rioolrecht in 4 jaar tijd – zonder prijsstijgingen – zal stijgen naar € 271 volgens onderstaand overzicht: 2012 € 233,85 2013 € 246,23 2014 € 258,61 2015 € 271,00 Ten opzichte van het jaar 2012 stijgen de lasten van de gemeentelijke riolering, inclusief de kostenplaatsen met een bedrag van € 49.790.

Deze kostenstijging dient gecompenseerd te worden in het tarief. De ontwikkeling van het tarief is dan als volgt: Tarief 2012 € 233,85 Stijging o.b.v. vGRP € 12,38 Tarief 2013 o.b.v. vGRP € 246,23 Stijging a.g.v. kostenstijgingen € 8,93 Tarief 2013 na vGRP en kostenstijgingen € 255,16” 2.4. De geraamde baten uit de rioolheffing bedragen volgens de gemeentebegroting (pagina 63) voor het jaar 2013 € 1.428.910. 3Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de aanslag rioolheffing 2013 terecht aan belanghebbende is opgelegd.

Het geschil betreft, mede gelet op het tot heden onbehandelde (voorwaardelijk) incidentele hoger beroep van belanghebbende, het antwoord op de volgende deelvragen: I. Is de Verordening rioolheffing 2013 van de gemeente Menterwolde geheel dan wel partieel onverbindend omdat de opbrengstlimiet uit artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet is overschreden? II. Heeft de gemeente Menterwolde in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door met betrekking tot bepaalde percelen een begunstigend beleid te voeren door geen aanslagen rioolheffing op te leggen, terwijl belanghebbende voor alle percelen in de heffing wordt betrokken? III.

Heeft de gemeente Menterwolde artikel 9 van de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW) niet, niet tijdig, dan wel onjuist geïmplementeerd? 3.2. De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en ongegrondverklaring van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en primair ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair vermindering van de aanslag rioolheffing 2013 met 2,5% respectievelijk 3,6%. 3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4Gronden Vooraf 4.1.

In de conclusie na verwijzing (zie 1.7) heeft de heffingsambtenaar het hof verzocht zich niet te beperken tot de door de Hoge Raad gegeven verwijzingsopdracht en, “om de uitvoeringspraktijk te helpen”, duidelijkheid te verschaffen over de bewijslast bij kostenonderbouwingen. Het hof stelt voorop dat de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad de omvang van het geschil na verwijzing bepaalt. Dat geschil betreft slechts (kortweg) de toerekening van (compensabele) omzetbelasting en de gevolgen daarvan voor de aanslag voor het jaar 2013. De door de heffingsambtenaar gewenste duidelijkheid gaat de omvang van dat geschil te buiten.

Daarom wijst het hof het verzoek van de heffingsambtenaar af. Ten aanzien van het geschil I. Overschrijding van de opbrengstlimiet? Vooraf 4.1.1. Het geschil na verwijzing door de Hoge Raad is beperkt tot de vraag of met betrekking tot het jaar 2013 de baten van de rioolheffing de lasten ter zake, rekening houdend met de omzetbelasting over de voor de riolering gemaakte kosten die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds (hierna ook: compensabele omzetbelasting), zodanig overtreffen dat de aanslag 2013 moet worden vernietigd of verminderd. 4.1.2.

Op grond van artikel 228a, lid 1 van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen - kort gezegd - ter beheersing van de grondwaterstand. In artikel 228a, lid 3 van de Gemeentewet is bepaald dat onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, mede wordt verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.

Vast staat dat in de door de gemeente Menterwolde gemaakte raming van de lasten ter zake van de rioolheffing 2013 (zie 2.3) de bedragen exclusief omzetbelasting zijn opgenomen. 4.1.3. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen. Voor het onderhavige belastingjaar komt aan artikel 229b van de Gemeentewet in dit verband geen betekenis (meer) toe. Dit laat onverlet dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig kan worden toegepast. 4.1.4.

Belanghebbende stelt dat de Verordening rioolheffing 2013 onverbindend is wegens overschrijding van de opbrengstlimiet van artikel 229b, lid 1, Gemeentewet. Omdat belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld ligt het, op grond van de regels inzake stelplicht en bewijslast, op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de geraamde lasten ter zake. In hoger beroep na verwijzing gaat het om het antwoord op de vraag welk bedrag aan compensabele omzetbelasting voor het jaar 2013 alsnog als ‘last ter zake’ in aanmerking genomen mag worden.

Omdat er verschillende manieren denkbaar zijn om de compensabele omzetbelasting, in het bijzonder bij investeringen, toe te rekenen en in zijn algemeenheid niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of volledig inzicht bestaat en van de heffingsambtenaar niet mag worden verwacht dat hij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd, stelt het hof voorop dat de compensabele omzetbelasting niet met wiskundige precisie kan worden toegerekend. 4.1.5.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de toerekening van compensabele omzetbelasting moet plaatsvinden aan de hand van (cijfers betreffende) de realisatie (standpunt belanghebbende), dan wel (cijfers betreffende) de lastenraming (standpunt heffingsambtenaar). Het hof is van oordeel dat het alsnog in aanmerking nemen van compensabele omzetbelasting de aard van de normering zoals die uit de opbrengstlimiet volgt onverlet laat. Dat betekent dat moet worden beoordeeld wat de gevolgen zijn van het achteraf alsnog in aanmerking nemen van compensabele omzetbelasting in de ramingen voor een vastgestelde rioolheffing.

Die compensabele omzetbelasting wordt dus alsnog in aanmerking genomen als een geraamde last ter zake van de riolering. Dat laat overigens onverlet dat het de heffingsambtenaar vrijstaat het van hem verlangde inzicht te verschaffen aan de hand van alle gegevens die daarvoor dienstig kunnen zijn. Het gebruik van cijfers betreffende gerealiseerde lasten en baten is daarvoor niet uitgesloten. Dat laat onverlet dat de beoordeling van een eventuele overschrijding van de opbrengstlimiet uitsluitend de raming van lasten en baten betreft. Het andersluidende betoog van belanghebbende moet worden verworpen.

Het bedrag van de compensabele omzetbelasting 4.1.6. De heffingsambtenaar heeft in beroep, hoger beroep en na verwijzing diverse (nadere) stukken overgelegd om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en lasten. Na verwijzing gaat het uitsluitend om het antwoord op de vraag welk bedrag aan compensabele omzetbelasting voor het jaar 2013 alsnog in aanmerking mag worden genomen. 4.1.7. De heffingsambtenaar stelt primair dat de compensabele omzetbelasting € 119.305 bedraagt. Dit bedrag is door de heffingsambtenaar als volgt gespecificeerd:

BTW-tarief BTW Kapitaallasten 536.895 14% 75.165 Directe kosten 210.188 21% 44.140 Totaal 119.305 De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat het omzetbelastingtarief met betrekking tot de geraamde kapitaallasten (14%) is gebaseerd op een gekwalificeerde inschatting, waarbij rekening is gehouden met oude kapitaallasten van investeringen van vóór invoering van het BTW- compensatiefonds. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft gesteld dat hij als gemachtigde in een soortgelijke procedure van een andere gemeente over een ander boekjaar (2006) heeft opgetreden en als zodanig bekend is met deze werkwijze en het desbetreffende percentage (14%).

De directe kosten betreffen uitsluitend uitbestede werkzaamheden en daarvoor is het (hoge) BTW-tarief van 2013 (= 21%) gehanteerd; posten met een BTW-tarief van 6% doen zich volgens de heffingsambtenaar bij uitbestede werkzaamheden niet voor. 4.1.8. De heffingsambtenaar stelt subsidiair dat de compensabele omzetbelasting € 104.592 bedraagt, conform zijn in de procedure vóór verwijzing ingenomen stellingname. Dit bedrag is door de heffingsambtenaar als volgt gespecificeerd: BTW-tarief BTW Kapitaallasten 536.895 14% 75.165 Directe kosten 210.188 14% 29.427 Totaal 104.592 De heffingsambtenaar stelt dat door een bedrag van € 104.592 toe te voegen aan de geraamde lasten sprake is van een redelijke toerekening van de compensabele omzetbelasting.

Ter nadere onderbouwing van die omzetbelasting heeft de heffingsambtenaar een berekening overgelegd “op basis van de gerealiseerde investeringen conform de activastaat en de toe te rekenen exploitatiekosten”. De aldus bepaalde compensabele omzetbelasting bedraagt € 99.110 en is door de heffingsambtenaar als volgt gespecificeerd: BTW-tarief BTW Kapitaallasten 252.148 19% 47.908 Directe kosten 210.188 21% 44.140 Kosten kolkenzuigen 33.630 21% 7.062 Totaal 99.110 Ter onderbouwing van de hier genoemde gerealiseerde kapitaallasten heeft de heffingsambtenaar als nader stuk (zie 1.8) een “Activastaat riolering 2013” overgelegd.

In deze activastaat worden de investeringen in de riolering voor de daarvoor betaalde bedragen exclusief omzetbelasting tot de activa gerekend en worden de aan dat jaar toe te rekenen afschrijving op de investeringen en een bedrag aan rente over het nog niet afgeschreven deel van die investeringen als kapitaallasten verantwoord. De (berekende) uit het compensatiefonds te vorderen omzetbelasting over het totaal van de kapitaallasten met betrekking tot investeringen vanaf 1 januari 2003 (invoering BTW- compensatiefonds) maakt geen deel uit van de activastaat.

Ter bepaling van de compensabele omzetbelasting zijn extracomptabel de kapitaallasten met betrekking tot de investeringen van vóór invoering van het BTW- compensatiefonds uit de activastaat geëlimineerd. Voor de directe kosten wordt verwezen naar hetgeen hierover onder 4.1.7 is opgenomen. Met betrekking tot de kosten van kolkenzuigen heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat de raming van de compensabele omzetbelasting aanvankelijk alleen is gedaan over de investeringen welke onderdeel uitmaken van het product ‘riolering’ en dat de omzetbelasting met betrekking tot de kosten kolkenzuigen abusievelijk niet was meegenomen.

Het hof acht die toelichting aannemelijk. 4.1.9. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar op grond van de door hem overgelegde stukken en de daarop ook ter zitting gegeven toelichting de compensabele omzetbelasting, welke op de kapitaallasten van de geactiveerde investeringen alsmede op de goederen en diensten welke direct als last op de exploitatie van de rioolheffing drukken (zie 4.1.8) tot een bedrag van ten minste € 99.110 naar behoren inzichtelijk gemaakt. De heffingsambtenaar heeft in zijn nader stuk (van 27 maart 2020) vermeld dat de gerealiseerde lasten in 2013 € 70.568 lager zijn dan de geraamde lasten.

Volgens het hoger beroepschrift van 4 april 2017 (pag.

4) wordt het verschil tussen de geraamde en de werkelijke lasten verklaard doordat de kapitaallasten van de binnenriolering € 64.980 lager zijn uitgevallen dan begroot en aan de IBA’s voor € 14.532 minder aan onderhoud is gepleegd dan geraamd. Gelet op het lagere bedrag van de gerealiseerde lasten ten opzichte van de raming en de daarvoor gegeven verklaring acht het hof, mede gelet op het overwogene in 4.1.4, de compensabele omzetbelasting voor een bedrag van € 104.592 voldoende inzichtelijk gemaakt. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar voor een (verdere) verhoging van de compensabele omzetbelasting tot een bedrag van € 119.305 niet voldoende inzicht verschaft.

Het bedrag ad € 119.305 wordt wat betreft de geraamde kapitaallasten onderbouwd met een (uniform) BTW-tarief van 14%. Dit percentage, kennelijk overgenomen uit een procedure van een andere gemeente over een ander jaar, is volgens de heffingsambtenaar gebaseerd op een inschatting waarbij rekening is gehouden met oude kapitaallasten van investeringen van vóór invoering van het BTW- compensatiefonds. Belanghebbende heeft gesteld dat het niet controleerbaar is of de gehanteerde 14% niet te hoog is. Het hof acht de onderbouwing van de met dit percentage toegerekende omzetbelasting onvoldoende inzichtelijk.

Dat percentage is kennelijk ontleend aan een procedure betreffende een andere gemeente, maar de heffingsambtenaar heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dat percentage voor de onderhavige gemeente en zaak zou kunnen worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te verschaffen in de opbouw in de loop der tijd van investeringen die voor de lastenraming in aanmerking zijn genomen. Voor zover de heffingsambtenaar heeft bedoeld dat inzicht te verschaffen aan de hand van de activastaat, acht het hof het aldus verschafte inzicht ook onvoldoende. Het bedrag van de op basis van de activastaat sinds 2003 verrichte investeringen wijkt significant af van het investeringsbedrag waarop de toerekening van compensabele omzetbelasting door de heffingsambtenaar is gebaseerd.

Dat verschil kan niet, althans niet zonder meer, worden verklaard aan de hand van verschillen tussen gerealiseerde en geraamde lastencijfers. Bij gebreke van een onderbouwing die overigens voldoende steun biedt aan de door de heffingsambtenaar primair verdedigde toerekening, moet die primaire toerekening worden verworpen. 4.1.10. De conclusie van het hof is dat het bedrag aan omzetbelasting over de voor de rioleringsheffing gemaakte kosten, die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds voor het jaar 2013, dient te worden vastgesteld op € 104.592.

Gevolgen overschrijding opbrengstlimiet 4.1.11. De geraamde lasten ter zake van de rioolheffing voor het jaar 2013 van de gemeente Menterwolde (zie 2.3) dienen, na eliminatie van de mutatie egalisatiereserve ad € 155.560 conform het verwijzingsarrest en de toevoeging van het bedrag aan omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW- compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds ad € 104.592, te worden vastgesteld op € 1.378.943: Riolering (gemengde stelsels) 843.502 Riolering (huishoudelijk/bedrijfsafvalwater) 76.228 Riolering afvloeiend hemelwater 54.870 Rioolgemalen 267.526 50% kolkenzuigen/vegen wegen 32.225 Mutatie egalisatiereserve 155.560 Mutatie egalisatiereserve -/- 155.560 Omzetbelasting 104.592 Lasten 1.378.943 4.1.12.

De geraamde baten uit de rioolheffing bedragen volgens de gemeentebegroting voor het jaar 2013 € 1.428.910 (zie 2.4). 4.1.13. De geraamde baten ad € 1.428.910 overtreffen de geraamde lasten ad € 1.378.943 met een bedrag van € 49.967. Dit leidt ertoe dat de opbrengstlimiet met (afgerond) 3,6% (€ 49.967/€ 1.378.943 * 100%) is overschreden. 4.1.14. Het hof zal na beantwoording van de vragen II en III ingaan (zie 4.4) op de gevolgen van het alsnog in aanmerking te nemen bedrag aan omzetbelasting ad € 104.592 en de overschrijding van de opbrengstlimiet voor de aanslag rioolheffing 2013.

II. Schending gelijkheidsbeginsel; bewuste bevoordeling? 4.2.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de gemeente Menterwolde heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door een aanzienlijke groep belastingplichtigen niet in de rioolheffing te betrekken. De gemeente gaat, volgens belanghebbende, namelijk uit van het principe dat uitsluitend de op het buizenstelsel aangesloten percelen in de heffing worden betrokken. Door een grote groep belastingplichtigen buiten de heffing te houden worden deze belastingplichtigen volgens belanghebbende bewust bevoordeeld. 4.2.2.

De heffingsambtenaar heeft weersproken dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en heeft gesteld dat een oogmerk van begunstiging of een gunstiger behandeling in een meerderheid van de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel) ontbreekt. De groep van belastingplichtigen, waaraan belanghebbende refereert, bestaat uit het verschil tussen de percelen welke in de rioolheffing zijn betrokken enerzijds en de WOZ-objecten en de BAG-administratie anderzijds. Volgens de heffingsambtenaar zijn de objectafbakeningsregels voor de WOZ en BAG-administratie anders dan die voor de rioolheffing.

Ongelijke gevallen rechtvaardigen aldus de heffingsambtenaar een ongelijke behandeling. 4.2.3. Ten aanzien van belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien (a) door de heffingsambtenaar een begunstigend beleid wordt gevoerd dan wel (b) ten aanzien van een groep belastingplichtigen sprake is van een oogmerk tot begunstiging of (c) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. 4.2.4. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende – op wie in dit opzicht de bewijslast rust – niet voldaan aan de stelplicht van een (beweerdelijke) schending van het gelijkheidsbeginsel.

Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, maar heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd om haar stelling van een bewuste bevoordeling te onderbouwen of die de conclusie zouden rechtvaardigen dat het achterwege blijven van een heffing bij een aanzienlijke groep belastingplichtigen voortvloeit uit begunstigend beleid. Evenmin zijn feiten gesteld of anderszins gebleken welke tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de zogenoemde meerderheidsregel is geschonden. 4.2.5. Het hof verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

III. Verordening rioolheffing 2013 in strijd met artikel 9 KRW? 4.3.1. Volgens belanghebbende heft de Verordening rioolheffing 2013 van de gemeente Menterwolde van de eigenaar van een perceel een vast bedrag, ongeacht het waterverbruik inzake dat perceel. Belanghebbende heeft in dat kader gesteld dat de tariefstelling in betreffende Verordening niet voldoet aan de vereisten uit artikel 9 van de KRW, omdat (i) belanghebbende (eigenaar) niet als vervuiler is aan te merken met betrekking tot het afvalwater en derhalve – naar het hof verstaat – niet mag opdraaien voor de kosten van de vervuiling veroorzaakt door anderen, (ii) van een vast bedrag per perceel per jaar geen enkele prikkel uitgaat om de watervoorraden efficiënt te gebruiken en (iii) de tariefstelling niet voor een evenredige verdeling tussen de verschillende watergebruikssectoren zorgt.

Belanghebbende is van mening dat artikel 9 van de KRW voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is en derhalve rechtstreekse werking toekomt. Voor zover dat niet het geval is, stelt belanghebbende dat de gemeente bij het vaststellen van de Verordening de beleidsvrijheid van artikel 9 van de KRW heeft overschreden. Belanghebbende verbindt aan dit alles de consequentie dat de aanslagen dienen te worden vernietigd. 4.3.2. Het hof verwerpt het betoog van belanghebbende onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3082, alsmede naar de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7681.

Tussenconclusie 4.4. Gelet op al het vorenoverwogene komt het hof tot de slotsom dat de opbrengstlimiet met (afgerond) 3,6% is overschreden en dat derhalve de Verordening rioolheffing 2013 van de gemeente Menterwolde ten aanzien van belanghebbende partieel onverbindend is. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat sprake is van een zodanig geringe overschrijding van de opbrengstlimiet dat deze niet tot vermindering van de aanslag zou moeten leiden, vindt geen steun in het recht. Partijen hebben in deze procedure eenparig verklaard dat in het aanslagbiljet gemeentelijke belastingen voor het jaar 2013 een bedrag van in totaal € 361.307 aan rioolheffing is begrepen.

Het hof zal het bedrag van de rioolheffing verminderen tot een bedrag van 100/103,6 van € 361.307 = € 348.751. 4.5. Het principale hoger beroep is gegrond; het incidentele hoger beroep is ongegrond. Ten aanzien van de proceskosten 4.6. Het hof acht geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht. 5Beslissing Het hof: - verklaart het principale hoger beroep gegrond; - verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond; - vernietigt de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de aanslag rioolheffing 2013, behoudens de beslissingen over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht; - vernietigt de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar met betrekking tot de aanslag rioolheffing 2013; - vermindert de aanslag rioolheffing 2013 tot een bedrag van in totaal € 348.751.

De uitspraak is gedaan door P.C. van der Vegt, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 7 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden. Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen.

Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Rechtbank Noord-Nederland 6 december 2016, (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:5334&showbutton=true&keyword=ECLI%3aNL%3aRBNNE%3a2016%3a5334)ECLI:NL:RBNNE:2016:5334. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1286. Kamerstukken II 2005/2006, 30578, nr. 3, p.

21. Vgl. Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192. Vgl. Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938, BNB 2014/150. Zie naast het verwijzingsarrest: Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1016, ov. 2.4.9. vgl. Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1020. vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 juni 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4957. vgl. Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6481. vgl. Hoge Raad 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691, Hoge Raad 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248 en ECLI:NL:HR:2012:BW1928.