Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSHE:2014:4356 ECLI:NL:GHSHE:2014:4356 AI generated

ECLI:NL:GHSHE:2014:4356 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Case Number ECLI:NL:GHSHE:2014:4356
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Zaaknummer: HD 200.143.535/01 Uitspraak : 21 oktober 2014 arrest in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellant, hierna te noemen “[appellant]”, advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf, tegen Camping Elzenhof B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als “de camping”, advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg, op het bij exploot van dagvaarding van 27 februari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling civiel recht, zittingsplaats Middelburg, van 10 juli 2013 en 4 december 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en de camping als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C02/264757 / HA ZA 13-397) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:119 BW; ECLI:NL:GHSHE:2014:4356 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch: Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Camping Elzenhof B.V. worden begroot op € 704,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening; verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, W.H.B. den Hartog Jager en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2014.

Keywords

AI generated
artikel 6:119 BW

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:119 BW

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1988:AD0344
ECLI:NL:HR:2004:AO4224
Het geding in feitelijke instanties Met een op 19 maart 2001 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, hierna: het gerecht, ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - zich gewend tot dat gerecht en verzocht voor recht te verklaren dat verweerster in cassatie - verder te noemen: PJIAE - voor 100% aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ten processe bedoelde voorval en PJIAE te veroordelen aan [eiseres] de schade te betalen nader op te maken bij staat. PJIAE heeft de vordering bestreden. Het gerecht heeft bij vonnis van 27 november 2001 de vordering ontzegd. Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het hof. Bij vonnis van 29 november 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bevestigd. Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1989:AJ6863
De camping heeft op dit punt verweer gevoerd door op te merken dat zij niet bekend was met het gevaar van glas in de sloot en heeft daarbij verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 23 juni 1989 (ECLI:NL:HR:1989:AJ6863) en van 22 april 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1347).
ECLI:NL:HR:1994:ZC1347
22 april 1994 Eerste Kamer Nr.
ECLI:NL:HR:1965:AB7079
dat hij, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, tegelijkertijd met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; dat het voor hem niet mogelijk was door de zich ter plaatse bevindende coca-colakistjes aan de rechterzijde te passeren, omdat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, en dat de kistjes en de zich aldaar bevindende personen bovendien het zicht op het keldergat hebben ontnomen; (3a) ‘’dat – wat het probandum sub 1 betreft – het Hof bewezen acht, dat Duchateau, zich naar het herentoilet begevende, links voorbij de zich ter plaatse bevindende kistjes is gelopen, (3b) dat immers uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom blijkt, dat het voor Duchateau niet mogelijk is geweest, om rechts achter de coca-colakistjes om te lopen, daar reeds de van het luik af naar voren geschoven stoelen en de daaronder geschoven opgerolde mat dit beletten; (4) ‘’dat – wat dit deel van het probandum betreft – het Hof niet bewezen acht, dat Duchateau daarop met zijn linkerhand de deurkruk van het herentoilet heeft vastgenomen en geopend en op hetzelfde moment een stap naar rechts heeft gemaakt; (5) ‘’dat het Hof echter niet van overwegend belang acht, wat Duchateau in de laatste ogenblikken vóór zijn val na het passeren van de kistjes heeft gedaan, nu door de wederpartij niet is bestreden, dat hij per ongeluk in het kelderruim is gevallen en niet als gevolg van een gewaagde poging, om over het kelderruim heen toch in het herentoilet te komen; (6) ‘’wat het tweede deel van het probandum betreft: (6a) dat niet is bewezen, dat zich aan het achterste tafeltje mensen bevonden, (6b) dat integendeel dit volgens de verklaring van getuige Sjouwerman niet het geval was, terwijl getuige Boom deze verklaring heeft bevestigd met zijn verklaring, dat volgens zijn herinnering aan dit tafeltje geen mensen zaten, (6c) dat daarmede allereerst een der redenen is komen te vervallen, waarom Duchateau volgens zijn posita niet rechts van de kistjes kon passeren, doch dat dit niet meer van belang is, nu is gebleken, dat hij dit uit anderen hoofde niet kon doen, (6d) dat verder echter door dit niet-bewezen zijn niet is gebleken, dat voormeld aanwezig zijn van mensen voor Duchateau het zicht op het keldergat heeft ontnomen, (6e) dat hiermede van de door Duchateau gestelde en in het probandum overgenomen redenen, waarom hij het keldergat niet heeft kunnen waarnemen, alleen de aanwezigheid der op elkaar gestapelde coca-colakistjes overblijft, (6f) dat echter, zoals de door de politie na het ongeval gemaakte en in het geding gebrachte foto’s duidelijk uitwijzen, de omvang van deze coca-colakistjes niet zodanig was, dat daarmede het gat geheel onzichtbaar werd gemaakt, terwijl voorts – naar uit die foto’s blijkt – het openstaande luik duidelijk boven de kistjes zichtbaar moet zijn geweest; (7) ‘’dat hieruit volgt, dat Duchateau niet op de omgeving van het herentoilet heeft gelet, toen hij daarbij was gekomen, en het nu de vraag is, of er reden voor hem bestond, om dit te doen; (8a) ‘’dat – al neemt men aan, dat Duchateau vóór het ongeval het openstaande luik niet heeft opgemerkt, gelijk hij beweert, doch de wederpartij betwist – toch voor Duchateau reden bestond bij het naderen van het toilet om zich heen te zien, alvorens verder te gaan, (8b) dat de deur van het herentoilet, naar Coca-Cola heeft gesteld, getuige Sjouwerman heeft verklaard en op de overgelegde situatiefoto’s is te zien, ingevolge de stand van de meergenoemde kistjes slechts gedeeltelijk open kon, (8c) dat dit feit, hetwelk Duchateau niet kan zijn ontgaan, hem zeker tot een opnemen van de omgeving had moeten brengen, zo hem de vreemde plaats van de kistjes daar – gedeeltelijk op het pad – al niet een waarschuwing had moeten zijn, om op die omgeving te letten; (9) ‘’dat, indien hij dit had gedaan, hem het zich daar ter plaatse bevindende keldergat niet had kunnen ontgaan, hetwelk naar uit de verklaringen van de getuigen Sjouwerman en Boom moet worden afgeleid, voldoende verlicht was; (10) ‘’dat hieruit volgt, dat hij schuld aan het ongeval heeft, en het thans nog slechts de vraag is, of hier van alle schuld, gelijk de Rechtbank heeft aangenomen, dan wel slechts van medeschuld aan zijn zijde sprake is; (11a) ‘’dat volgens de verklaring van de toenmalige eigenaar van de zaak, getuige Boom, deze in geval hij het luik moest openen, het keldergat barricadeerde met stoelen, (11b) dat getuige Sjouwerman ook gemakkelijk dit gat op deze wijze had kunnen barricaderen, (11c) dat hij dit niet heeft gedaan, maar zich volgens zijn eigen verklaring en die van getuige Boom bepaald heeft tot een opstapelen van de kistjes met lege flessen naast het keldergat, zonder de toegang tot de toiletten geheel af te sluiten; (11d) dat Sjouwerman er rekening mede had behoren te houden, dat bezoekers aan de toegang tot het toilet wellicht niet hun volledige aandacht zouden besteden, (11e) dat, gelet op de eenvoudige middelen, waarmede Sjouwerman – als voormeld – de toegang tot het keldergat afdoende had kunnen barricaderen, zo hij meende zich vandaar te moeten verwijderen, ook hem schuld aan het ongeval treft; (12) ‘’dat het Hof, de schuld van Duchateau en die van Sjouwerman tegen elkaar afwegende, van oordeel is, dat ieder van hen voor de helft aansprakelijk is voor het ongeval; (13) ‘’dat derhalve de door Duchateau aangevoerde grief gedeeltelijk is gegrond en Coca-Cola voor de helft van de door het ongeval geleden schade aansprakelijk is te stellen;’’ Overwegende dat Coca-Cola ’s Hofs arrest bestrijdt met het volgende middel van cassatie:

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Zaaknummer: HD 200.143.535/01 Uitspraak : 21 oktober 2014 arrest in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), appellant, hierna te noemen “[appellant]”, advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf, tegen Camping Elzenhof B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als “de camping”, advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg, op het bij exploot van dagvaarding van 27 februari 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling civiel recht, zittingsplaats Middelburg, van 10 juli 2013 en 4 december 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en de camping als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C02/264757 / HA ZA 13-397) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 februari 2014; - de memorie van grieven; - de memorie van antwoord. Het hof heeft arrest bepaald en doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3De beoordeling

De feiten 3.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast. [appellant] heeft op 20 juli 2010 op het voetbalveld van de door de camping geëxploiteerde camping blootvoets gevoetbald. Daarbij is de bal achter het doel in een sloot terecht gekomen. Deze sloot ligt op het terrein van de camping. [appellant] heeft de bal uit de sloot willen halen, is met blote voeten in de sloot gestapt en is daarbij op een scherp voorwerp gestapt, wat later een flessenbodem bleek te zijn.

Deze lag in de sloot en was aan het zicht onttrokken door begroeiing die zich in de sloot en langs de zijkant van de sloot bevond. Als gevolg hiervan is [appellant] gewond geraakt aan zijn voet, doordat een teenpees is doorgesneden. De sloot in kwestie loopt van bovenaf schuin toe, van een breedte van ongeveer 1,20 meter aan de bovenzijde tot een breedte van ongeveer 70 à 80 centimeter op de bodem. De sloot dient tot afwatering van het kampeerterrein en er staat altijd water in. De camping was niet bekend met het feit dat ter plekke glas op de bodem van de sloot lag.

Zij laat de sloot twee maal per jaar door een loonbedrijf uitdiepen, in april/mei en eind augustus. Wanneer medewerkers van de camping waarnemen dat personen op blote voeten voetballen, waarschuwen zij hun om dat niet te doen. De camping biedt gratis huisvuilzakken aan, verbiedt zwerfvuil en haalt geregeld vuilnis op. Zij houdt 24 uur per dag toezicht, overdag met vier personen en ’s nachts met twee. De camping beslaat een oppervlakte van 30.000 m2. Het geschil in eerste aanleg 3.2.1. [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank voor recht zou verklaren dat de camping aansprakelijk is voor de door haar jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, met veroordeling van de camping tot vergoeding van de daardoor geleden en nog te lijden schade, één en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met vergoeding van rente en buitengerechtelijke en proceskosten als vermeld in het petitum van de dagvaarding en alles zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. [appellant] legt hieraan ten grondslag dat de camping jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door in onvoldoende mate de zorgvuldigheid te betrachten die van haar als terreinbeheerder mag worden verwacht.

Ten onrechte weigert de aansprakelijkheidsverzekeraar van de camping de aansprakelijkheid van de camping te erkennen, aldus [appellant]. 3.2.2. De camping heeft betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan een onrechtmatige daad. Zij betwist primair dat zij onrechtmatig heeft gehandeld dan wel heeft nagelaten. Subsidiair voert de camping aan dat de schade voor rekening van [appellant] dient te blijven, nu deze is ontstaan door een omstandigheid die aan [appellant] zelf moet worden toegerekend. 3.2.3. De rechtbank heeft in het vonnis van 4 december 2013 de vorderingen van [appellant] afgewezen.

Daaraan ligt, zakelijk weergegeven, als motivering ten grondslag dat bij afweging van alle omstandigheden van het geval niet kan worden geoordeeld dat de camping jegens [appellant] heeft gehandeld in strijd met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, zodat van een onrechtmatig handelen door of nalaten van de camping jegens [appellant] niet is gebleken. Het geschil in hoger beroep 3.4.1 [appellant] heeft tegen het vonnis van de rechtbank zes grieven aangevoerd. De grieven 1 tot en met 5, in onderling verband gelezen, komen erop neer dat de rechtbank bij de beoordeling van de feiten in het licht van de door de Hoge Raad voor dit soort zaken ontwikkelde maatstaf ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat de camping jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld.

Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Grief 6 bestrijdt de beslissing ten aanzien van de proceskosten. [appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 december 2013 en gevorderd dat zijn vorderingen alsnog zullen worden toegewezen. 3.4.2. De camping heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. De beoordeling van het geschil. 3.5.1. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de camping jegens hem onrechtmatig zou hebben gehandeld.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft hij zijn stellingname onderbouwd door te verwijzen naar jurisprudentie van de Hoge Raad, meer in het bijzonder het zogenaamde Veenbroei-arrest (HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0344) overwoog de Hoge Raad onder meer het navolgende: "Degene die de zorg voor een terrein heeft, handelt in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, wanneer hij, terwijl hij moet verwachten dat het publiek dit terrein zal betreden en weet dat zich op dit terrein een voor het publiek niet steeds waarneembaar gevaar als het onderhavige voordoet, dat aan het publiek niet bekend is, niettemin nalaat maatregelen te nemen zoals een ter plaatse kenbaar verbod het terrein te betreden of waarschuwing voor dit gevaar.

Zulks wordt niet anders wanneer zich op dit terrein ook andere, wel aan het publiek bekende gevaren voordoen." In het zogenaamde Jetblast-arrest (HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4224) overwoog de Hoge Raad onder verwijzing naar het Kelderluik-arrest als volgt: "Met het oog op de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat bij de beantwoording van de vraag of aan iemand die een situatie in het leven roept of laat voortbestaan die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld dat hij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt - en of derhalve het achterwege laten van die maatregelen in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed - moet worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen." 3.5.2.

Het hof stelt bij de beoordeling van de grieven voorop dat uit het laatste arrest volgt dat niet alleen bekendheid met het bestaan van de gevaarlijke situatie kan leiden tot aansprakelijkheid, maar dat ook in het geval waarin een terreinbeheerder niet bekend was met de gevaarlijke situatie, maar daar wel bekend mee had moeten zijn kan leiden tot aansprakelijkheid van een terreinbeheerder. Immers: wanneer een terreinbeheerder redelijkerwijs bekend moet zijn met het bestaan van een potentieel gevaarlijke situatie, dan kan hem – bij gebreke aan voldoende deugdelijke veiligheidsmaatregelen - ook redelijkerwijs worden verweten dat hij deze situatie heeft laten voortbestaan. 3.5.3.

De camping heeft op dit punt verweer gevoerd door op te merken dat zij niet bekend was met het gevaar van glas in de sloot en heeft daarbij verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 23 juni 1989 (ECLI:NL:HR:1989:AJ6863) en van 22 april 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1347). Uit deze jurisprudentie volgt dat de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid niet zo ver reikt dat een terreinbeheerder veiligheidsmaatregelen moet treffen tegen gevaren die hij niet kent of behoeft te kennen. Ook in de arresten waar [appellant] naar verwijst wordt de nadruk gelegd op de omstandigheid dat de terreinbeheerder op de hoogte was van het bestaan van het gevaar dat uiteindelijk tot de geleden schade heeft geleid.

De vraag is dan in dit geval of de camping rekening diende te houden met de mogelijkheid dat een campinggast blootvoets de sloot zou betreden en daarbij in een scherp voorwerp zou trappen. Pas indien dat het geval is, bestaat aanleiding om aan de hand van de criteria van Het Kelderluik-arrest (ECLI:NL:HR:1965:AB7079) verder te beoordelen of aansprakelijkheid bestaat. 3.5.4. Het hof is van oordeel dat niet voldoende is gesteld of gebleken op grond van welke omstandigheden de camping zich bewust zou hebben moeten zijn van het bestaan van het concrete gevaar (de onderhavige glasbodem) dat een letsel zou kunnen ontstaan als opgelopen door [appellant].

Het hof acht het bestaan van de enkele mogelijkheid dat er misschien glasscherven in de sloot zullen worden gegooid onvoldoende om daar, zonder dat blijkt van bijzondere omstandigheden, aansprakelijkheid van de camping op te gronden. Dat geldt temeer in het zich hier voordoende geval dat de camping zich door het treffen van de in r.o. 3.1 vastgestelde maatregelen toereikend van haar onderhoudsplicht (ter voorkoming van zulke ongevallen) heeft gekweten. Gesteld noch gebleken is dat een voorval als dat met [appellant] zich eerder heeft voorgedaan.

Evenmin is gesteld of gebleken dat op het terrein van de camping met enige regelmaat glas in de sloot wordt gegooid en/of aangetroffen, laat staan dat dat geregeld achter het doel in de sloot is aangetroffen. Voor het plaatsen van waarschuwingsborden bestond dan ook geen noodzaak. Voorts is niet weersproken dat de camping een groot aantal en, naar objectieve maatstaven gemeten, toereikende maatregelen heeft getroffen om voetletsels door glas (in een sloot) te voorkomen, waarbij het hof opmerkt dat het voor een terreinbeheerder onmogelijk is om het risico daarop tot nihil te reduceren. 3.5.5.

Het hof komt dan tot het oordeel dat de camping weliswaar het algemeen gevaar van gebroken glas heeft onderkend, maar dat zij redelijkerwijs voldoende maatregelen heeft getroffen om het nooit volledig uit te sluiten risico daarop tot een minimum te beperken. Dat de camping bekend was of had moeten zijn met een in relevante mate verhoogd gevaar op het trappen in glas bij het blootvoets betreden van de sloot achter het doel op het trapveldje volgt niet uit hetgeen in rechte aan feiten en omstandigheden is aangevoerd. Met de rechtbank komt het hof dan ook tot de slotsom dat de waarschijnlijkheid dat een campinggast blootvoets de sloot betreedt en daarbij letsel oploopt als in dit geval, gegeven de door de camping reeds getroffen maatregelen, zo gering was dat de camping daar redelijkerwijs niet méér rekening mee hoefde te houden dan zij deed.

In dat geval kan de camping niet worden verweten dat zij heeft gehandeld in strijd met zorgvuldigheidseisen die voortvloeien uit hetgeen haar jegens [appellant] in het maatschappelijk verkeer betaamt, noch door het nalaten van verdergaande veiligheidsmaatregelen, noch door het nalaten van een specifieke waarschuwing voor een ter plekke bestaand gevaar. Daarbij merkt het hof nog op dat in dit geval niet is gesteld of gebleken dat door of vanwege de overheid of de branche ter zake regels of voorschriften zijn opgesteld en/of niet in acht zijn genomen.

Evenmin blijkt van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen die niet in acht zijn genomen. 3.5.6. Terecht merkt [appellant] er in grief 1 (mede) op dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de camping voor het bestaande gevaar had moeten waarschuwen, maar uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat een plicht om in het bijzonder te waarschuwen voor het specifieke gevaar van het blootsvoets betreden van de sloot achter het voetbalveld niet bestond. De omstandigheid dat grief 1 in zoverre slaagt leidt mitsdien niet tot een ander oordeel.

De overige grieven van [appellant] falen, zoals uit het voorafgaande blijkt. 3.6. Het voorgaande voert het hof dan tot de slotsom dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant op goede gronden heeft besloten het gevorderde af te wijzen, zodat dit vonnis met inbegrip van de proceskostenveroordeling zal worden bekrachtigd. [appellant] heeft in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal om die reden worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4De uitspraak

Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Camping Elzenhof B.V. worden begroot op € 704,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening; verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, W.H.B. den Hartog Jager en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2014.