Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2153 ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2153 AI generated

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2153 · Gerechtshof 's-Gravenhage

Case Number ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2153
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rolnummer: 22-002897-10 Parketnummer: 10-766014-09 Datum uitspraak: 7 december 2011 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 april 2009 in de strafzaak tegen de verdachte: [de verdachte], [geboorteplaats] (Irak) op [geboortejaar] (1982), [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 november 2011. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV2153 · Gerechtshof 's-Gravenhage: Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 november 2011. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rolnummer: 22-002897-10 Parketnummer: 10-766014-09 Datum uitspraak: 7 december 2011 TEGENSPRAAK Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 april 2009 in de strafzaak tegen de verdachte: [de verdachte], [geboorteplaats] (Irak) op [geboortejaar] (1982), [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 november 2011. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij, op of omstreeks 20 juli 2008, te Rotterdam, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op haar naam gesteld reisdocument, te weten een Nederlandse identiteitskaart, voorzien van het documentnummer IC0339881, ten name van [benadeelde partij], [geboortejaar] (1986), bestaande het gebruik hieruit dat zij, verdachte, bovengenoemd reisdocument ter identificatie heeft overgelegd en/of getoond aan (een) politieambten(a)ar(en), werkzaam bij de politie Rotterdam-Rijnmond (afdeling Directe Hulpverlening van District 3 West).

Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof staat de precieze toedracht van het overhandigen van de niet op naam van de verdachte gestelde identiteitskaart -in het licht van de emotionele toestand waarin de verdachte verkeerde alsmede het gegeven dat zij de Nederlandse taal niet machtig was- niet vast. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte per vergissing de verkeerde kaart heeft gegeven. Gelet hierop is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. D. Jalink en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 december 2011.