Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5819 ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5819 AI generated

ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5819 · Gerechtshof 's-Gravenhage

Case Number ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5819
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE nummer :AWB 11/00075 nummer hoofdzaak :BK-10/00114 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 18 februari 2011 op het schriftelijke verzoek van [X], wonende te [Z], hierna: verzoeker, strekkende tot wraking van mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, voorzitter en leden van de tweede meervoudige belastingkamer van het Hof in na te melden door verzoeker namens de erven [Y] ingestelde hoger beroep. De procedure 1.1. Verzoeker heeft namens de erven [Y] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, nr. AWB 08/5143, betreffende een hen voor het jaar 2008 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet waardering onroerende zaken alsmede de daarbij opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting. 1.2.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:GHSGR:2011:BP5819 · Gerechtshof 's-Gravenhage: Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 231 van de Gemeentewet en artikel 30 Wet waardering onroerende zaken kan elk van de raadsheren die het in 1.1 genoemde hoger beroep behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 2.2. Het verzoek tot wraking moet volgens het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, Awb worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Keywords

AI generated
artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE nummer :AWB 11/00075 nummer hoofdzaak :BK-10/00114 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 18 februari 2011 op het schriftelijke verzoek van [X], wonende te [Z], hierna: verzoeker, strekkende tot wraking van mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, voorzitter en leden van de tweede meervoudige belastingkamer van het Hof in na te melden door verzoeker namens de erven [Y] ingestelde hoger beroep. De procedure 1.1. Verzoeker heeft namens de erven [Y] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 januari 2010, nr. AWB 08/5143, betreffende een hen voor het jaar 2008 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 22 Wet waardering onroerende zaken alsmede de daarbij opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting. 1.2.

Bij faxbericht van 5 februari 2011 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde voorzitter en leden gedaan. 1.3. De voorzitter en de leden hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Zij hebben daarbij afgezien van de gelegenheid te worden gehoord, behoudens mr. W.M.G. Visser die wel van die gelegenheid gebruik wenst te maken. 1.4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 15 februari 2011 ter openbare zitting behandeld, alwaar verzoeker en mr. W.M.G. Visser zijn gehoord. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Beoordeling van het wrakingsverzoek 2.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 27j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 231 van de Gemeentewet en artikel 30 Wet waardering onroerende zaken kan elk van de raadsheren die het in 1.1 genoemde hoger beroep behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 2.2. Het verzoek tot wraking moet volgens het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, Awb worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Uit het verzoekschrift en de ter zitting gegeven toelichting daarop blijkt dat de feiten en omstandigheden waarop verzoeker zijn wrakingsverzoek heeft gegrond, zich uitsluitend hebben voorgedaan ter zitting op 7 januari 2011. De conclusie moet derhalve zijn dat die feiten en omstandigheden hem op dat moment bekend zijn geworden. Door het wrakingsverzoek pas op 5 februari 2011 te doen, dat wil zeggen negenentwintig dagen na de mondelinge behandeling op 7 januari 2011, heeft hij niet voldaan aan het vereiste dat het verzoek tijdig moet worden gedaan.

Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat verzoeker niet wist dat de mogelijkheid bestaat tot wraking van raadsheren, en dat hij van die mogelijkheid eerst na de zitting door een derde op de hoogte is gesteld. 2.3. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek om wraking. Beslissing Het Hof: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking; - bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de Inspecteur en de genoemde voorzitter en leden van de tweede meervoudige belastingkamer.

De beslissing is gegeven door mrs. Stille, Van Walderveen en Engel, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 18 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.