Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2025:49 ECLI:NL:GHDHA:2025:49 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2025:49 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2025:49
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

In which detention center will the person sought be placed during her preventive detention and in which detention center will she be placed after an eventual conviction? (…) Then, with regard to the detention center where Ms. Rojo will be confined, if she is extradited to the Republic of Chile, the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the Santiago Women's Penitentiary Center.

Legislator headnote

AI generated

artikel 14 EVRM, artikel 3 EVRM, artikel 6:162 BW, art. 3 EVRM, artikel 8 EVRM, artikel 6 EVRM; ECLI:NL:GHDHA:2025:49 · Gerechtshof Den Haag: In de eerste plaats stelt [appellante] dat sprake is van een reëel risico dat zij bij uitlevering, in Chileense detentie zal worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Volgens [appellante] is geen sprake van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties. Zo is naar haar mening in elk geval onvoldoende duidelijk dat zij na uitlevering daadwerkelijk in de Santiago Women’s Penitentiary Center (hierna: SWPC) zal worden geplaatst, en niet in Antogasta Women’s Penitentiary Center (hierna: AWPC). Zowel in het AWPC als in het SWPC is volgens [appellante] sprake van met artikel 3 EVRM strijdige detentieomstandigheden.

Keywords

AI generated
artikel 14 EVRM artikel 3 EVRM artikel 6:162 BW art. 3 EVRM artikel 8 EVRM artikel 6 EVRM

Cited Legislation

AI generated
artikel 14 EVRM
artikel 3 EVRM
In de eerste plaats stelt [appellante] dat sprake is van een reëel risico dat zij bij uitlevering, in Chileense detentie zal worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.
artikel 6:162 BW
3 EVRM en is het aan de Staat om voldoende compenserende factoren aan te dragen die samen maken dat van een schending toch geen sprake is. 6.18 Volgens [appellante] bestaat er ook een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM als zij in SWPC wordt geplaatst (grief 4).
art. 3 EVRM
Het gaat steeds om de vraag of deze opgeëiste persoon na uitlevering een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM.
artikel 8 EVRM
Zij betoogt dat die omstandigheden binnen de werkingssfeer van artikel 3 EVRM vallen en ook, althans in elk geval, binnen de werkingssfeer van artikel 8 EVRM (o.a.
artikel 6 EVRM
Dit uitgangspunt leidt uitzondering als blijkt dat zich in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid een flagrante schending van artikel 6 EVRM (of artikel 14 IVBPR) heeft voorgedaan.

Cited Case Law

AI generated
NJ 2024/127
EHRM 3 november 2022, 22854/20, NJ 2024/127 (Sanchez-Sanchez t.
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:HR:2004:AP1534
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard.
ECLI:NL:XX:2007:BA5147
EHRM 11 januari 2007, 1948/04, ECLI:NL:XX:2007:BA5147 (Salah Sheekh t.
ECLI:NL:RVS:2004:AQ5615
Uitspraak Zaaknummer: 200402639/1 en 200402651/1 Publicatie datum: vrijdag 23 juli 2004 Tegen: Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Proceduresoort: Overig Rechtsgebied: Kamer 4 - Hoger Beroep Vreemdelingen - Asiel -------------------------------------------------------------------------------- 200402639/1 en 200402651/1. Datum uitspraak: 23 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellant], 2. Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 februari 2004 in het geding tussen: appellante sub 1 en appellant sub 2. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2002, zoals gewijzigd bij brief van 17 januari 2002, (hierna: het besluit) heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante sub 1 (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 17 december 2002 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Bij uitspraak van 23 juni 2003 heeft de Afdeling het daartegen door appellant sub 2 (hierna: de minister) ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Bij uitspraak van 27 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister, bij onderscheiden brieven, beide bij de Raad van State binnengekomen op 26 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht. Bij onderscheiden brieven van 20 april 2004 hebben de vreemdeling en de minister elk een reactie ingediend. Desgevraagd heeft de Minister van Buitenlandse Zaken bij brief van 15 juni 2004 de aan individuele ambtsberichten van 7 en 26 november 2001 ten grondslag liggende stukken overgelegd, ten aanzien waarvan hij op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft verzocht te bepalen dat uitsluitend de Afdeling kennis mag nemen van passages van een aantal ervan (genummerd 1 tot en met 5) en de gehele inhoud van een ander (genummerd 6). Op 21 juni 2004 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 5 juli 2004 heeft de vreemdeling geweigerd de Afdeling toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29, van de Awb, te verlenen. De overgelegde stukken zijn hierop aan de Minister van Buitenlandse Zaken teruggezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2004, waar de vreemdeling in persoon, bijgestaan door mr. P.J. Schüller en mr. M.F. Wijngaarden, beiden advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1 (A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag) geldt voor de toepassing van dat Verdrag als “vluchteling” elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen. Ingevolge artikel 1 (F) zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij: a. een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; b. een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; c. zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. Ingevolge artikel 3 gemeenschappelijk aan de Verdragen van Genève, waarvan hier van belang het Verdrag inzake de bescherming van burgers in oorlogstijd (hierna: Verdrag IV), van 12 augustus 1949 is, in het geval van een gewapend conflict dat niet een internationaal karakter draagt, ieder der partijen bij het conflict ten minste gehouden de daarin vermelde bepalingen toe te passen, welke strekken ter bescherming van personen die niet of, tengevolge van ziekte, verwonding, gevangenschap of anderszins, niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij die Verdragen betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (hierna: Protocol II) is dit Protocol, dat de gemeenschappelijke artikelen 3 van die Verdragen uitbreidt en aanvult, zonder wijziging aan te brengen in de omstandigheden waaronder deze artikelen thans worden toegepast, van toepassing op alle gewapende conflicten, waarop artikel 1 van het Aanvullend Protocol betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale conflicten niet van toepassing is en die plaatsvinden op het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij tussen de strijdkrachten van die Partij en dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen die, staande onder een verantwoordelijk bevel, het grondgebied van die partij gedeeltelijk beheersen op een zodanige wijze, dat zij in staat zijn aanhoudende en samenhangende militaire operaties uit te voeren en de bepalingen van dit Protocol toe te passen. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van die wet, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van die wet, voorzover thans van belang, heeft de beschikking, waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg dat: a. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is; b. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet; c. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijk voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt, indien artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet. Volgens paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) acht de minister het aan hem om aan te tonen dat er ten aanzien van een vreemdeling ernstige redenen zijn, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in die verdragsbepaling, past hij de ‘personal and knowing participation test’ toe. Beoordeeld wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het desbetreffende misdrijf/de desbetreffende misdrijven (‘knowing participation’) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Onder persoonlijke deelname wordt niet slechts verstaan het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van de misdrijven, doch ook het door betrokkene direct faciliteren van de misdrijven, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate ertoe heeft bijgedragen. Onder wezenlijke bijdrage wordt verstaan dat de bijdrage feitelijk effect heeft gehad op het begaan van het misdrijf of de misdrijven en dat het misdrijf of de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou of zouden hebben plaatsgevonden, indien niemand de rol van betrokkene had vervuld, dan wel betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf of de misdrijven te voorkomen, aldus voormelde passage van de Vc 2000. 2.2. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij op grond van haar verklaringen en de door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte individuele ambtsberichten van 7 en 26 november 2001 van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1 (F), onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag, dit Verdrag derhalve niet op haar van toepassing is en aan haar ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 evenmin een verblijfsvergunning kan worden verleend op de voet van de onderdelen b, c en d van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. 2.3. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat - samengevat - de rechtbank, door te beslissen dat beperkte kennisneming van de onderliggende stukken van de voormelde ambtsberichten gerechtvaardigd is, artikel 6 van het EVRM heeft geschonden. 2.3.1. Uit voormelde uitspraak van 17 december 2002 blijkt niet dat de rechtbank het desbetreffend betoog destijds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Mitsdien mocht de rechtbank, hoewel de vreemdeling geen hoger beroep tegen die uitspraak heeft ingesteld, bij de hernieuwde beoordeling van het beroep na de terugwijzing van de zaak aan dit betoog niet voorbij gaan, zoals zij heeft gedaan. De grief treft evenwel geen doel, reeds omdat de procedure de weigering betreft om de vreemdeling een verblijfsvergunning te verlenen. Zodanige procedure strekt niet tot vaststelling van een ‘civil right’ of beoordeling van een ‘criminal charge’ in de zin van de bedoelde verdragsbepaling (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 5 oktober 2000 in de zaak Maaouia tegen Frankrijk, no. 39652/98, AB 2001, 80). In het kader van de beslissing op de aanvraag om toelating is onderzocht of sprake is van ernstige redenen, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. De weigering in verband met de uitkomst van dat onderzoek om de vreemdeling toe te laten is geen ‘criminal charge’, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Overigens is de regeling van artikel 8:29 van de Awb, mits zorgvuldig toegepast – niet is gebleken dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is – volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet in strijd met laatstbedoelde verdragsbepaling. 2.4. Onder 1 en 2 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte na de terugwijzing gevolgen heeft verbonden aan de kennisname van de onderliggende stukken van de bedoelde ambtsberichten na de alsnog door de vreemdeling verleende toestemming daartoe. Volgens hem volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2003 in zaak no. 200300240/1, AB 2003, 326, dat in het vervolg van de procedure van de juistheid van de inhoud van die ambtsberichten moest worden uitgegaan. 2.4.1. Dat betoog faalt. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2002 vernietigd, omdat zij daarin onjuiste gevolgtrekkingen heeft verbonden aan de weigering van de vreemdeling om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, te verlenen en haar toetsing van de feitenvaststelling door de staatssecretaris op grond van de individuele ambtsberichten in het licht van die weigering onjuist is geweest. De rechtbank heeft in het terugkomen door de vreemdeling van die weigering dan ook terecht grond gevonden om de feitenvaststelling door de staatssecretaris op grond van de bedoelde ambtsberichten te toetsen in het licht van de stukken, waarvan zij kennis kon nemen. 2.5. Naar aanleiding van de betwisting door de vreemdeling van de juistheid van de informatie in de ambtsberichten heeft de rechtbank onderzocht of deze genoegzame grondslag vindt in die stukken. Ten aanzien van het ambtsbericht van 26 november 2001 is ze tot het oordeel gekomen dat de minister delen daarvan niet in de beschouwing heeft mogen betrekken. In zijn derde grief richt de minister zich tegen dat oordeel. Naar aanleiding van die grief heeft de Afdeling de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht de aan de ambtsberichten ten grondslag liggende stukken ook aan haar toe te zenden. Deze heeft aan dat verzoek voldaan en de inzending vergezeld doen gaan van een verzoek goed te vinden dat, wegens gewichtige redenen, slechts de Afdeling van passages in een aantal van de stukken (genummerd 1 tot en met 5) en de gehele inhoud van een ander (genummerd 6) zal mogen kennisnemen. Zoals hiervoor vermeld, heeft de Afdeling dat gerechtvaardigd geacht. 2.5.1. De vreemdeling heeft aan de Afdeling geen toestemming verleend om kennis te nemen van de hiervoor bedoelde stukken. Aldus heeft zij de Afdeling de mogelijkheid ontnomen om naar aanleiding van grief 3 van de minister te onderzoeken of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het ambtsbericht van 26 november 2001 op de door de rechtbank omschreven onderdelen onvoldoende grond vindt in het verrichte onderzoek en de geraadpleegde bronnen. Dat zij dat oordeel mede heeft gebaseerd op de omstandigheid dat dit ambtsbericht slechts steunt op één bron, maakt niet dat de Afdeling dat oordeel slechts kan respecteren, aangezien de toelaatbaarheid van zodanig brongebruik mede afhangt van de aard en de kwaliteit van die bron en de daaraan ontleende informatie. Het stond de vreemdeling vrij toestemming te weigeren. Dit doet er evenwel niet aan af dat, nu de Afdeling, evenals de rechtbank, gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, heeft aangenomen, de Minister van Buitenlandse Zaken heeft gedaan, wat van hem gevergd kan worden, ten einde de feitelijke grondslag van de ambtsberichten te staven. Voorts kan de vreemdeling door de weigering van toestemming de minister niet de mogelijkheid ontnemen om zijn grief in hoger beroep beoordeeld te krijgen. De gevolgen van het weigeren van de toestemming moeten dan ook op na te melden wijze voor risico van de vreemdeling komen. Nu de vreemdeling de Afdeling geen toestemming heeft verleend om kennis te nemen van de aan het ambtsbericht van 26 november 2001 ten grondslag liggende stukken, zal de Afdeling, om de redenen, uiteengezet onder 2.6.2. in de uitspraak van 23 juni 2003, het oordeel van de rechtbank terzake terzijde laten en uitgaan van de inhoud van dat ambtsbericht, zoals dat voorligt, in aanmerking nemende de wisselende mate van stelligheid, waarmee het op de verschillende onderdelen is geformuleerd en behoudens, voorzover de vreemdeling de inhoud ervan concreet en gemotiveerd heeft betwist. Zij zal haar oordeel over dit ambtbericht geven in het licht van de verklaringen van de vreemdeling in het nader gehoor en in het aanvullend gehoor, voorzover die niet in strijd zijn met de verklaringen die zij heeft afgelegd in het nader gehoor, zulks overeenkomstig hetgeen is overwogen in 2.5.1. van de uitspraak van 23 juni 2003 en in het licht van het ambtsbericht van 7 november 2001, voorzover dat door de vreemdeling niet meer wordt bestreden. 2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 23 december 2003 in zaak no. 200305568/1, JV 2004/78), dient een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voorzover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de besluitvorming op asielaanvragen van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Dat het ambtsbericht van 26 november 2001, naar de rechtbank heeft overwogen, is gebaseerd op een enkele bron, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat het onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De individuele ambtsberichten van 7 en 26 november 2001 bevestigen de verklaringen van de vreemdeling dat zij vanaf 1995 lid is geweest van het Centraal Comité, destijds het hoogste besluitvormingorgaan van de Partiya Karkerên Kurdistan (hierna: de PKK) en zij tijdens het zevende partijcongres in januari 2000 is toegetreden tot de Presidentiële Raad. In het eerste ambtsbericht is vermeld dat uitgesloten is te achten dat leden van het Centraal Comité en de huidige Presidentiële Raad in die organen worden gekozen, zonder dat zij hun ideologische en militaire loyaliteit hebben bewezen. Niet in geschil is dat de vreemdeling een militaire achtergrond heeft. Derhalve begrijpt de Afdeling het ambtsbericht in zoverre aldus, dat haar loyaliteit ten minste ook langs die weg moet zijn bewezen, toen zij in 1995 tot lid van het Centraal Comité werd gekozen. In het ambtsbericht van 26 november 2001 is vermeld dat de vreemdeling geldt als volkomen loyaal aan het beleid van de partij, met name in de jaren negentig, toen de PKK een harde lijn volgde. Over haar militaire activiteiten heeft de vreemdeling verklaard dat zij in 1991 in Libanon een militaire opleiding heeft gevolgd. Volgens het ambtsbericht van 7 november 2001 waren de opleidingskampen in dat land in eerste instantie bedoeld om PKK-rekruten voor te bereiden op de gewapende strijd. Voorts heeft de vreemdeling in het nader gehoor verklaard dat zij van 1991 tot 1998 actief heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en dat zij daarbij is opgeklommen tot een leidinggevende positie. Zo is zij in 1995 commandant geweest van een eenheid van 50 personen. Volgens haar verklaringen heeft zij voornamelijk in het kamp Haftanin verbleven, in het gebied Botan in de provincie Sirnak. In het ambtsbericht van 7 november 2001 is vermeld dat kampen in het gebied rond Haftanin ingericht waren om terroristische activiteiten in Zuid-Oost Turkije te ondernemen, niet zelden met burgerslachtoffers tot gevolg. Het ambtsbericht van 26 november 2001 vermeldt dat de vreemdeling commandoacties heeft geleid in Botan, Haftanin en Metina, gebieden waarin de vreemdeling ook volgens haar eigen verklaringen actief is geweest, en dat zij persoonlijk nieuwe rekruten selecteerde en deze vervolgens opleidde voor met name zelfmoordacties. De stelling in het door de vreemdeling overgelegde rapport van professor E.J. Zürcher van 11 juli 2002 dat er geen enkele aanwijzing bestaat dat zelfmoordaanslagen door de PKK ooit systematisch tot strijdmiddel zijn bevorderd, doet hieraan op zichzelf niet af, teminder nu professor Zürcher vermeldt dat in de late jaren negentig het aantal aanslagen van PKK-activisten in de steden van Turkije toenam en dat het hierbij meestal ging om zelfmoordaanslagen van vrouwelijke PKK-strijders en de vreemdeling zich, naar zij heeft verklaard, in het bijzonder heeft beziggehouden met de politieke bewustwording en de militaire opleiding van vrouwelijke strijders van de PKK. De vreemdeling heeft voormelde feiten uit het ambtsbericht van 26 november 2001 voor het overige weliswaar ontkend, doch niet gemotiveerd bestreden. De staatssecretaris heeft onder die omstandigheden geen aanknopingspunten hoeven zien om aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht van 26 november 2001 op de hiervoor aangegeven hoofdlijnen te twijfelen en hij heeft zich op voormelde feiten in dit ambtsbericht, gelezen in samenhang met dat van 7 november 2001 en de verklaringen van de vreemdeling zelf, mogen baseren voor de conclusie dat sprake is van ‘knowing and personal participation’ aan de ernstige misdrijven die de PKK blijkens het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 mei 2000 en de overige in het voornemen vermelde openbare bronnen heeft bedreven. Grief 3 van de minister slaagt dan ook. 2.6. Grieven 5 en 6 van de vreemdeling, in onderlinge samenhang gelezen, klagen dat - samengevat - de rechtbank ten onrechte Protocol II heeft betrokken bij de beoordeling of de door de PKK bedreven misdrijven zijn aan te merken als misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. In grief 7 betoogt de vreemdeling dat de rechtbank door aan te nemen dat sprake is geweest van misdrijven tegen de menselijkheid de betekenis van die term heeft miskend. 2.6.1. In het voornemen tot het besluit, dat daarvan deel uit maakt, is vermeld dat in de periode waarin de vreemdeling actief is geweest voor de PKK, deze organisatie gewapende strijd heeft gevoerd tegen het Turkse leger. De staatssecretaris heeft er voorts op gewezen dat uit het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 4 mei 2000 en de overige in het voornemen vermelde openbare bronnen naar voren komt dat de PKK in het kader van die strijd ernstige misdrijven heeft gepleegd. Zo heeft de PKK zich schuldig gemaakt aan het doden van dorpswachters en hun familieleden, het plaatsen van mijnen en het uitvoeren van terroristische aanslagen, en is in 1994 openlijk verklaard dat de PKK van plan was onderwijzers en leraren in Zuid-Oost Turkije te doden, aan welk voornemen vervolgens uitvoering is gegeven, aldus de staatssecretaris. Het door de vreemdeling overgelegde rapport van professor E.J. Zürcher van 11 juli 2002 bevestigt dat de PKK zich in de campagne tegen de dorpswachters schuldig maakte aan het op gruwelijke wijze uitroeien van hele families van dorpswachters, inclusief vrouwen en kinderen. Gelet op vorenvermelde, op zichzelf niet bestreden, informatie heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de PKK zich ten tijde van belang schuldig heeft gemaakt aan daden van terreur, direct gericht tegen burgerdoelen. 2.6.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit onder meer op het standpunt gesteld dat die daden zijn aan te merken als misdrijven, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, aangezien de PKK daarmee gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève heeft geschonden en die daden voorts in strijd zijn met Protocol II. 2.6.3. Bedoeld gemeenschappelijk artikel 3 en Protocol II zijn onderdelen van internationale overeenkomsten, als bedoeld in onderdeel a van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, waarin oorlogsmisdrijven worden omschreven. Gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, gelezen in verbinding met het Verdrag IV, behelst normen met betrekking tot de behandeling van beschermde personen, gedefinieerd in artikel 4 van Verdrag IV, te weten alle niet aan de strijd deelnemende burgers, die zich in geval van oorlog of bezetting bevinden in de handen van een partij bij het conflict of bezettende macht, waarvan zij geen onderdaan zijn. Onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om aan te nemen dat de PKK op enig moment gedurende het conflict met Turkije een deel in Zuid-Oost Turkije onder zodanige controle heeft gehad, dat sprake was van een min of meer bestendige bezetting. De eerder vermelde daden van de PKK kunnen dan ook niet zozeer worden aangemerkt als handelingen jegens burgers in bezet gebied, als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3, doch moeten veeleer als krijgshandelingen worden aangemerkt. Protocol II behelst regels over zodanige handelingen voor de daarin omschreven situatie van een intern gewapend conflict. Het betoog van de vreemdeling dat Protocol II niet van toepassing is, omdat Turkije dit niet heeft geratificeerd, is niet ter zake dienend. Het geschil heeft betrekking op de afwijzing van de Nederlandse autoriteiten van de asielaanvraag van de vreemdeling. Deze aanvraag wordt getoetst aan het door de vreemdeling ingeroepen Vluchtelingenverdrag en het daarin opgenomen artikel 1 (F). Voor een omschrijving van de daarin onder a bedoelde misdrijven verwijst die verdragsbepaling naar de internationale overeenkomsten die tot stand zijn gekomen om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen. Daartoe behoort Protocol II. De geografische beperking in de omschrijving van misdrijven in dit Protocol beoogt de strafrechtelijke jurisdictie van de verdragsluitende partijen te beperken. Er is geen enkele grond om aan te nemen dat met de verwijzing in artikel 1 (F) naar de internationale verdragen ook de toepasselijkheid van deze geografische beperking beoogd is in het leven te roepen, aangezien de jurisdictie van staten bij de toepassing van artikel 1 (F) niet bepaald wordt door het al dan niet ratificeren van deze verdragen. Voor de toepasselijkheid van Protocol II verlangt artikel 1 dat de desbetreffende gewapende oppositiegroep, onder een verantwoordelijk bevel, een zodanige greep heeft op een deel van het grondgebied van de Staat, waar het conflict zich afspeelt, dat het mogelijk is ‘aanhoudende en samenhangende militaire operaties’ uit te voeren. In hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd ten aanzien van de strijd van de PKK in Turkije heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is geweest van een intern conflict, als bedoeld in Protocol II bij de Verdragen van Genève. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van Protocol II mogen de burgerbevolking als zodanig, noch de afzonderlijke burgers, doelwit worden gemaakt van een aanval. Daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, zijn verboden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6.1. daarover is vermeld, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de desbetreffende daden naar hun aard vallen onder de verbodsbepalingen van artikel 13, tweede lid, van Protocol II en derhalve moeten worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Derhalve behoeft grief 7 van de vreemdeling geen bespreking. 2.7. In de grieven 2, 3 en 4, in onderlinge samenhang gelezen, richt de vreemdeling zich tegen de overweging dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ‘personal and knowing participation’ van de vreemdeling aan de door de PKK begane oorlogsmisdrijven. 2.7.1. In het voornemen tot het besluit, dat daarvan deel uit maakt, heeft de staatssecretaris zich, vooropstellend dat over de door de PKK begane misdrijven zo uitgebreid is gepubliceerd, dat als vaststaand moet worden beschouwd dat deze in bredere kring bekend zijn geraakt, op het standpunt gesteld dat, in aanmerking genomen de duur en de aard van haar werkzaamheden en de plaatsen, waar die werden verricht, alsmede het verloop van haar carrière binnen de PKK, culminerend in haar benoemingen als lid van het Centraal Comité en de Presidentiële Raad van de PKK, aangenomen moet worden dat de vreemdeling weet heeft gehad van de door de PKK begane misdrijven in het kader van de strijd in Zuid-Oost Turkije. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. Daarbij is mede van belang dat de vreemdeling, volgens haar verklaringen haar militaire activiteiten voor een belangrijk deel vanuit het kamp Haftanin heeft ontplooid, van waaruit volgens het ambtbericht van 7 november 2001 terroristische activiteiten hebben plaatsgevonden. Voorts heeft de vreemdeling volgens haar verklaringen tijdens haar opleiding in Damascus langdurig direct contact gehad met Abdullah Öcalan, leider van de PKK, van wie zij persoonlijk les heeft gehad. Daarbij is niet van belang of zij in hetzelfde huis woonachtig waren. De enkele gestelde omstandigheid dat zij niet van alle aan de PKK verweten gedragingen op de hoogte is geweest, doet er niet aan af dat zij in ieder geval in hoofdlijnen op de hoogte moet zijn geweest van de militaire strategie van de PKK in de jaren negentig. Mitsdien faalt ook grief 2 van de vreemdeling. 2.7.2. De staatssecretaris heeft zich in het voornemen tot het besluit ook op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘personal participation’ van de vreemdeling, omdat onder haar verantwoordelijkheid misdrijven, als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, zijn begaan. Daaraan heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling actief heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en daarbij vanaf 1992 een leidinggevende positie heeft bekleed, in 1995 als bevelvoerder van een eenheid van 50 personen, hetgeen wordt bevestigd in de ambtsberichten van 7 en 26 november 2001. De vreemdeling is als lid van het belangrijkste besluitvormende en uitvoerende orgaan van de PKK mede verantwoordelijk geweest voor de bepaling van het beleid en de tactieken van de organisatie, zodat zij, door aldus een leidinggevende rol te spelen bij de door de PKK gepleegde misdrijven, hiervoor mede verantwoordelijk moet worden gehouden, aldus de staatssecretaris. Uitgaande van hetgeen blijkens het vorenoverwogene op grond van de individuele ambtsberichten en de verklaringen van de vreemdeling aannemelijk wordt geacht, is de conclusie gerechtvaardigd dat de vreemdeling op zodanig actieve wijze heeft deelgenomen aan de militaire strijd, dat dit heeft geleid tot een bevelvoerende positie en vervolgens tot haar benoeming in het Centraal Comité, vanaf welk moment zij deel heeft uitgemaakt van de centrale leiding van de PKK. Derhalve is evenzeer aannemelijk dat sprake is geweest van een leidinggevende betrokkenheid op het niveau van de gewapende strijd en heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris geen ernstige redenen aanwezig heeft mogen achten om te veronderstellen dat de vreemdeling deelt in de collectieve verantwoordelijkheid van de leiding van de PKK voor de door die organisatie begane oorlogsmisdrijven. In dit licht bezien, was de staatssecretaris niet gehouden concreet aan te geven welke specifieke daden de vreemdeling persoonlijk heeft gepleegd. De grieven 3 en 4 van de vreemdeling leiden mitsdien niet tot het ermee beoogde doel. Grieven 4 en 6 van de minister behoeven geen bespreking. 2.7.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Van een onjuiste toetsing door de rechtbank is geen sprake. In zoverre faalt grief 5 van de minister. 2.8. In grief 8 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de minister het ontstaan van de bevoegdheid tot uitzetting niet voorshands kan uitsluiten, zodat over die uitzetting te zijner tijd een afzonderlijk besluit kan worden genomen. Ze heeft ook miskend dat tegen een dergelijk afzonderlijk besluit tot uitzetting bovendien geen effectieve rechtsmiddelen open staan, aldus de vreemdeling. 2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 juni 2004 in zaak no. 200308511/1) heeft de wetgever met artikel 45 van de Vw 2000 beoogd het aantal afzonderlijke procedures te verminderen. Uitgangspunt is dat tegen een beslissing tot uitzetting geen rechtsmiddel openstaat, aangezien uit artikel 45 van de Vw 2000 rechtstreeks voortvloeit dat een vreemdeling kan worden uitgezet, nadat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is afgewezen en hij Nederland niet eigener beweging verlaat en dat tegen uitzettingshandelingen slechts bij wijze van uitzondering bezwaar en beroep open staat. Uit een, ten opzichte van de Vw 2000 bijzondere, wettelijke regeling kan evenwel een afwijking van dit stelsel voortvloeien. Dit doet zich voor, indien de procedure over toelating samenloopt met een uitleveringsprocedure. De Uitleveringswet prevaleert in dat geval als bijzondere regeling boven artikel 45 van de Vw 2000. Daarom lost de vraag of tot uitzetting kan worden overgegaan zich op in de beslissing over de uitlevering, tenzij dienaangaande een afwijzend besluit is genomen. Als, zoals in dit geval, de uitlevering ten tijde van de beslissing over de toelating aan de orde is, doch daarover op dat moment nog niet is beslist, kan ten aanzien van de uitzetting geen beslissing worden genomen. Indien het uitleveringsverzoek wordt toegewezen, is uitzetting niet aan de orde. Wordt het uitleveringsverzoek afgewezen, nadat over de toelating is beslist, dan is sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, op grond waarvan alsnog een beslissing omtrent de uitzetting dient te worden genomen, die voor beroep vatbaar is. Mitsdien faalt de grief. Gelet hierop, behoeft grief 7 van de minister geen bespreking. 2.9. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. 2.10. Uit hetgeen de Afdeling hiervoor onder 2.5.2. heeft overwogen, volgt dat het hoger beroep van de minister gegrond is. 2.11. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de voorgedragen beroepsgronden gelet op het hiervoor overwogene geen aanleiding geven voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, het beroep tegen het besluit van 15 januari 2002, zoals gewijzigd bij brief van 17 januari 2002, ongegrond verklaren. 2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 27 februari 2004 in zaak nr. AWB 03/46574 BEPTDN; IV. verklaart het door de vreemdeling in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Van Soest-Ahlers Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2004 343. terug naar overzicht.. | print uitspraak..
ECLI:NL:RVS:2019:3442
201905386/1/V3. Datum uitspraak: 15 oktober 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2019 in zaak nr. NL19.14572 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.343.692/01 Zaaknummer rechtbank : C/09/664790 / KG ZA 24-361 Arrest in kort geding van 21 januari 2025 in de zaak van [appellante] , op dit moment verblijvend in de PI Utrecht, locatie Nieuwersluis, appellante, advocaat: mr. T. de Boer, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen de Staat der Nederlanden, meer specifiek het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zetelend in Den Haag, verweerder, advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof zal partijen hierna [appellante] en de Staat noemen. 1De zaak in het kort 1.1 Deze zaak gaat over de vraag of de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellante] met zijn besluit om haar uit te leveren aan Chili.

Volgens [appellante] bestaat er een reëel risico dat zij door uitlevering zal worden blootgesteld aan detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en die bovendien neerkomen op een discriminatoire behandeling in strijd met artikel 10 Uitleveringswet (Uw) en met artikel 14 EVRM in samenhang met de artikelen 3 en 8 EVRM, omdat mannen die voor soortgelijke feiten veroordeeld zijn, terechtkomen in een gevangenis met veel gunstigere detentieomstandigheden.

Ook stelt zij dat de Staat de uitkomst van de door haar ingestelde asielprocedure moet afwachten, omdat haar stelling dat zij gevaar loopt vanwege haar politieke overtuigingen in die procedure beter kan worden beoordeeld. [appellante] heeft om deze redenen gevorderd dat de Staat (voorlopig) wordt verboden om haar aan Chili uit te leveren. 1.2 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof is het daarmee eens. 2Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de spoedappeldagvaarding van 16 juli 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 19 juni 2024 en waarin de grieven (bezwaren) tegen het vonnis zijn opgenomen, met bijlagen; de memorie van antwoord van de Staat; de akte van 13 november 2024 met bijlagen 29 en 30 van [appellante]; bijlage 31 die [appellante] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd 2.2 Op 26 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3Feitelijke achtergrond 3.1 [appellante] is in Chili onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en één dag, met als bijkomende straf 'disqualification to exercise political rights’, voor - naar Nederlands recht - ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie als burgemeester van Antofagasta. Een dag voordat haar veroordeling onherroepelijk werd, is [appellante] naar Nederland gereisd. Op 18 april 2022 heeft [appellante] in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Hieraan heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij vreest voor vervolging op grond van haar politieke overtuiging en dat zij na terugkeer in Chili een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van onmenselijke of vernederende behandeling. 3.2 De Chileense autoriteiten hebben de Staat bij diplomatieke nota van 21 april 2022 verzocht om de uitlevering van [appellante], met het oog op de tenuitvoerlegging in Chili van de aan haar opgelegde gevangenisstraf. 3.3 Bij uitspraak van 13 maart 2023 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam de verzochte uitlevering van [appellante] aan Chili toelaatbaar verklaard.

De rechtbank heeft deze uitspraak bij brief van 13 maart 2023 aan de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) toegezonden. Daarbij heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor de lopende asielprocedure van [appellante] in Nederland en de door haar in Chili beklede politieke functie. In verband hiermee heeft de rechtbank de Minister in overweging gegeven het besluit over de uitlevering op te schorten totdat op de asielaanvraag zou zijn beslist. Ook heeft de rechtbank de Minister geadviseerd om bij afwijzing van de asielaanvraag de Chileense autoriteiten om garanties te vragen, onder meer ter voorkoming van dreigende mensenrechtenschendingen. 3.4 Bij arrest van 26 september 2023 heeft de Hoge Raad het door [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023 ingestelde cassatieberoep verworpen. 3.5 Bij brief van 11 december 2023 heeft de Minister de Chileense autoriteiten verzocht om aanvullende informatie en garanties ten aanzien van [appellante] te verstrekken.

Bij diplomatieke nota van 7 februari 2024 heeft de Chileense ambassade in Nederland op deze brief gereageerd. Als bijlage bij de diplomatieke nota is een Engelse vertaling gevoegd van een brief van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 januari 2024. In die brief staat onder meer het volgende vermeld: - p. 4-5 “(…) Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, Ms. [appellante] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands, as a result of the extradition request filed by the Republic of Chile. (…)” - p. 5 “(…) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, Ms.

Rojo will be confined in the Santiago Women’s Penitentiary Center, which currently has an occupancy rate of 59,7%.” - p. 7 “(…) a. Regarding medical care: Inmates who require treatment and hospitalization will be treated in the medical units that exist in the prison facilities. In penitentiary facilities which are under a concession contract, the provisions of the respective contract regarding medical care will also be followed (…).” - p. 8 “(…) c. As to living conditions: When the establishment provides clothing to inmates, it must be dignified and appropriate.

However, inmates will have the right to wear their own clothing which must meet the same requirements article 45 of D.S. 518/1998). Every inmate has the right to have the Penitentiary Administration provide them with at least a cot (bed), mattress and blanket (…). Inmates will have the right to have the Administration provide them with food supervised by a nutrition specialist, physician or paramedic, and that corresponds in quality and quantity to the minimum dietary and hygiene standards (...) - p. 10-14 “III. Request for additional information and warranties Below, the Republic of Chile wishes to provide specific information regarding the questions transmitted by letter dated December 11, 2023.

1. In which detention center will the person sought be placed during her preventive detention and in which detention center will she be placed after an eventual conviction? (…) Then, with regard to the detention center where Ms. Rojo will be confined, if she is extradited to the Republic of Chile, the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the Santiago Women's Penitentiary Center.

2. What are the dimensions of the cell(s) where the person sought will be placed and how many mates will she have to share her cell with? In the Santiago Women's Penitentiary Center, the cell in which Ms. Rojo will be placed is 31 square meters, with capacity for 8 people, which results in an area of 3,875 square meters per inmate. The Santiago Women's Penitentiary Center is a prison facility that houses exclusively the female prison population. Its designed capacity is for 949 inmates, but currently only 567 places are occupied, which means an occupancy rate of 59.7’.

3. Will the person sought have freedom of movement outside her cell? If so, for how many hours a day? In the penitentiary center where Ms. Rojo will be held, deconfinement begins at 8:30 and ends at 5:00 p.m. During the aforementioned period, people can remain in their rooms, in the hall, kitchen, dining room and yard of the penitentiary center.

4. Is there an offer of activities for the person sought? In this regard Gendarmeria de Chile has reported that various workshops are available at the Santiago Women's Penitentiary Center on various topics such as computing, painting, gardening and sports. Likewise, there is a penal school that all women deprived of liberty can attend.

5. Can there be outdoor recreational activities? In the Santiago Women's Penitentiary Center there is a yard in which various activities can be carried out, as well as a court to practice sports.

6. What sanitary services will the person sought have easy access to? In the Santiago Women's Penitentiary Center all people deprived of liberty have access to toilets, showers, washbowls, and a full bathroom throughout the day, which includes confinement hours (from 5:00 p.m. to 8:30 a.m.). Additionally, Gendarmeria de Chile has reported that the sanitary facilities of the aforementioned detention center are in good condition. It is also reported that the aforementioned penitentiary center has recently been remodeled to improve living conditions. The works were inaugurated on June 22, 2023.

7. How is the privacy of the person sought guaranteed during the use of sanitary services? In the Santiago Women's Penitentiary Center, both bathrooms and showers have doors that guarantee the privacy of the inmate.

8. Will the person sought have access to clean drinking water? Yes, the Women's Penitentiary Center has a drinking water network suitable for human consumption.

9. Does the cell where the person sought will be placed have access to sunlight? Gendarmeria de Chile has reported that the cell will have access to sunlight.

10. Is there information available about incidents of violence in the detention center where the person sought will be placed? What measures have been taken to protect the person sought from prisoner violence, especially considering the fact that she is known to the Chilean press? In the event that any type of violence occurs in prison facilities, Gendarmeria has established various reaction methods, with various security measures that are decided in each facility, under the standards defined in the applicable regulations. Likewise, due to the characteristics of Ms. [appellante] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country, she will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necessary security measures so that both her physical and psychological security are safeguarded. (…)” 3.6 Bij beschikking van 27 februari 2024 heeft de Minister de verzochte uitlevering van [appellante] aan Chili toegestaan.

De Minister heeft daartoe - samengevat - het volgende overwogen: - de lopende asielprocedure vormt geen beletsel om te beschikken conform het bepaalde in artikel 33 Uw en er is geen bijzondere reden om de beschikking aan te houden in afwachting van de asielprocedure, met dien verstande dat de feitelijke uitlevering zal plaatsvinden met inachtneming van de stand in de asielprocedure; - er zijn, gelet op de inhoud van het advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 april 2022 om gevolg te geven aan het verzoek tot uitlevering, geen aanknopingspunten dat in het geval van [appellante] sprake is van een discriminatoire vervolging of bestraffing vanwege politieke overtuiging als bedoeld in artikel 10 Uw en daarmee is evenmin aannemelijk dat [appellante] vanwege haar politieke overtuiging een risico loopt op schending van haar fundamentele mensenrechten; - gelet op de door de Chileense autoriteiten verstrekte informatie over de detentiefaciliteit waar [appellante] na uitlevering zal worden geplaatst en de voorzieningen en rechten die zij daar zal hebben, kan mede in het licht van het vertrouwensbeginsel niet worden aangenomen dat zij na uitlevering een risico loopt op een met artikel 2 en/of 3 van het EVRM strijdige behandeling; - een (dreigende) schending van artikel 14 EVRM is als zodanig geen grond voor het weigeren van de verzochte uitlevering en - voor zover aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen - van een door artikel 14 EVRM verboden onderscheid (dat een schending van artikel 10 Uw en/of artikel 2 en/of 3 EVRM tot gevolg zou hebben) is geen sprake. 3.7 In de Nederlandse vertaling van een door de Chileense advocaten van [appellante] opgesteld verslag van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 staat onder meer, zakelijk weergegeven, vermeld dat de officieren van justitie tijdens die bijeenkomst hebben verklaard dat zij de bevoegde rechtbank van Antofagasta zullen verzoeken dat de tijd die [appellante] in Nederland in detentie heeft doorgebracht níet zal worden afgetrokken van de aan haar opgelegde gevangenisstraf.

Onder punt 7 (“Overige achtergrondinformatie”) staat verder onder meer het volgende vermeld: “Vanwege de strekking van de bijeenkomst en wat door de aanklagers is gerapporteerd, weten zij niet: 7.1.- Reactie, toezeggingen en garanties die de staat Chili zou hebben gegeven in de uitleveringszaak van [appellante]. 7.2.- Ze weten niet dat [appellante] haar straf kan uitzitten in de stad Santiago, in de vrouwengevangenis van San Joaquin. (…)” 3.8 Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] nog twee stukken overgelegd (productie 31), namelijk (i) een verzoek van de Chileense advocaat van [appellante] (ongedateerd) en (ii) de reactie van de rechtbank te Antofagasta van 22 november 2024, plus een Nederlandse vertaling van deze beide stukken.

Uit stuk (i) blijkt dat de Chileense advocaat op enig moment de rechtbank te Antofagasta heeft laten weten dat [appellante] haar woonplaats heeft gevestigd in Santiago en dat deze advocaat de rechtbank verzoekt “opdracht te geven tot verwijzing van de gegevens naar de Rechtbank van Garantie met jurisdictie in (…) Santiago, het voorgaande tevens aangezien de Staat Chili, in de uitleveringsprocedure, heeft gegarandeerd dat de uitvoering van de straf moet worden uitgevoerd in de metropoolregio, en niet in de gemeente Antofagasta”. De reactie van de rechtbank Antofagasta luidt als volgt:

“Antofagasta, 22 november 2024 Ten aanzien van de hoofdzaak, houd er rekening mee. Ten aanzien van het tweede, dit ziet op de merites wat te zijner tijd zal worden opgelost. Ontvang een melding volgens het SIAGJ-register” 3.9 Op de asielaanvraag van [appellante] is nadat het bestreden vonnis was gewezen negatief beslist. De zitting inzake het beroep tegen deze afwijzing is in januari 2025 gepland. 4Procedure bij de rechtbank 4.1 [appellante] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat, samengevat, de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair: de Staat verbiedt haar uit te leveren aan Chili; subsidiair: de Staat verbiedt haar uit te leveren aan Chili zolang hij geen bindende, concrete en op de persoon gerichte garanties heeft ontvangen van Chili, die toereikend zijn om een (flagrante) schending van de in de dagvaarding genoemde fundamentele rechten te voorkomen, waarbij de Staat de mogelijkheid van actieve monitoring ter controle van de nakoming van deze garanties moet garanderen en de Staat zich bereid moet verklaren deze monitoring op zich te nemen; meer subsidiair: de Staat verplicht de beschikking van 27 februari 2024 te herroepen en iedere beslissing over haar uitlevering aan te houden totdat definitief op haar asielverzoek is beslist; uiterst subsidiair: de Staat verbiedt haar uit te leveren aan Chili zolang niet definitief op haar asielverzoek is beslist; zowel primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair: met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2 [appellante] voert, samengevat, aan dat de Minister met het besluit haar aan Chili uit te leveren onrechtmatig jegens haar handelt.

In de eerste plaats stelt [appellante] dat sprake is van een reëel risico dat zij bij uitlevering, in Chileense detentie zal worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Volgens [appellante] is geen sprake van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties. Zo is naar haar mening in elk geval onvoldoende duidelijk dat zij na uitlevering daadwerkelijk in de Santiago Women’s Penitentiary Center (hierna: SWPC) zal worden geplaatst, en niet in Antogasta Women’s Penitentiary Center (hierna: AWPC). Zowel in het AWPC als in het SWPC is volgens [appellante] sprake van met artikel 3 EVRM strijdige detentieomstandigheden.

Dat klemt temeer nu zij in Chili een bekend publiek figuur is en sinds de strafzaak met de dood wordt bedreigd, zodat zij in een Chileense gevangenis hoe dan ook meer gevaar loopt. Volgens [appellante] is onduidelijk op welke manier een effectieve monitoring van de naleving van de garanties zal plaatsvinden, terwijl dat volgens haar wel nodig is. In de tweede plaats stelt [appellante] dat na uitlevering aan Chili sprake zal zijn van discriminatoire detentie, omdat zij - anders dan ter zake van fraude veroordeelde mannelijke politici - vanwege haar geslacht niet zal worden geplaatst in de (als beter bekend staande) Capitan Yaber gevangenis te Santiago.

Dit levert volgens [appellante] een schending op van het discriminatieverbod van artikel 14 juncto artikel 3 en 5 EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 10 Uw. In de derde plaats is de voorgenomen uitlevering volgens [appellante] onrechtmatig, omdat zij ook na het uitzitten van haar straf, vanwege de opgelegde bijkomende straf, in Chili nooit meer gebruik zal kunnen maken van haar politieke rechten. Daarmee is sprake van een schending van artikel 3 van het Eerste Protocol bij het EVRM, artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 5 lid 1 sub b Uw, aldus [appellante].

Ten slotte stelt [appellante] dat de voorgenomen uitlevering in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm ex artikel 6:162 BW en het refoulement-verbod als neergelegd in artikel 2 en 3 EVRM en artikel 33 van het VN-Vluchtelingenverdrag, omdat de Minister de definitieve uitkomst van de asielprocedure niet wil afwachten. Daarbij wijst [appellante] erop dat in de asielprocedure, waarin een uitgebreid onderzoek ter zake kan plaatsvinden, aan het licht kan komen dat haar vervolging in Chili politiek gemotiveerd is en/of dat zij anderszins gevaar loopt vanwege haar politieke overtuigingen.

Deze bevindingen kunnen relevant zijn voor de beoordeling van de uitlevering. Ook wijst [appellante] erop dat de Minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in haar geval van een politieke vervolging geen sprake is. 4.3 De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de kosten veroordeeld. 5Vorderingen in hoger beroep 5.1 [appellante] is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft verschillende grieven (bezwaren) tegen het vonnis aangevoerd. [appellante] vordert hetzelfde als bij de voorzieningenrechter, met dien verstande dat op één onderdeel de grondslag is veranderd: de stelling dat uitlevering leidt tot een discriminatoire behandeling (zie hierboven onder 4.2. sub 2) is niet langer gebaseerd op artikel 14 in samenhang met de artikelen 3 en 5 EVRM, maar op artikel 14 in samenhang met de artikelen 3 en 8 EVRM.

Verder komt [appellante] niet op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de eventuele schending van de politieke rechten van [appellante] door de eeuwige ontzetting uit het kiesrecht in onvoldoende verband staat met de uitlevering. Het hierboven onder 4.2. sub 3) vermelde standpunt komt in appel dus niet meer aan de orde, zij het dat [appellante] aanvoert dat de schending van haar politieke rechten wel onderdeel is van de asielprocedure en dus relevant is voor haar standpunt als vermeld onder 4.2. sub 4). 5.2 Op de grieven van [appellante] wordt hieronder teruggekomen. 5.3 [appellante] heeft ook een voorwaardelijk incident opgeworpen, voor het geval het hoger beroep niet als een spoedappel zou worden behandeld (in welk geval de Staat niet bereid zou zijn met uitlevering te wachten tot het eindarrest).

Nu deze voorwaarde niet is vervuld, wordt dit incident niet behandeld.

6Beoordeling in hoger beroep

Inleidende opmerkingen 6.1 Als de opgeëiste persoon (zo wordt iemand van wie de uitlevering wordt gevraagd genoemd) de beslissing van de Minister tot uitlevering aan de civiele rechter voorlegt en aanvoert dat de uitlevering in strijd is met fundamentele rechten moet de civiele rechter het besluit van de Minister volledig en ‘ex nunc’ (dat wil zeggen naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak) toetsen. 6.2 Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek vormt het zogeheten vertrouwensbeginsel (in de meeste gevallen) het uitgangspunt.

Dit vertrouwensbeginsel houdt in dat Nederland, en dus ook de Nederlandse rechter, in beginsel erop vertrouwt dat (i) de informatie die de verzoekende staat verstrekt in het kader van het uitleveringsverzoek juist is, (ii) de verzoekende staat na uitlevering de grondrechten van de opgeëiste persoon niet zal schenden en (iii) de garanties die de verzoekende staat afgeeft zullen worden nagekomen. Het vertrouwensbeginsel wordt gebaseerd op de omstandigheid dat de verzoekende staat partij is bij het EVRM of het IVBPR en ook wel op de aanname dat Nederland alleen (uitleverings)verdragsrelaties onderhoudt met landen die de grondrechten respecteren.

Het vertrouwensbeginsel zal moeten wijken als de opgeëiste persoon aannemelijk maakt dat er in zijn geval reden is om aan te nemen dat de grondrechten niet zullen worden gerespecteerd en/of dat er aanleiding is om te twijfelen aan de naleving van verstrekte garanties. 6.3 Het EHRM aanvaardt dat hechtenis een zekere mate van leedtoevoeging impliceert. Alleen leed dat “a minimum level of severity” heeft kan een schending van artikel 3 EVRM opleveren. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Het is aan de opgeëiste persoon om aannemelijk te maken dat er gegronde redenen (‘substantial grounds’) zijn om aan te nemen dat sprake is van een reëel risico (‘real risk’) dat uitlevering leidt tot een schending van artikel 3 EVRM, zoals in dit geval (onder meer) wordt aangevoerd.

De beoordeling van wat een opgeëiste persoon te wachten staat is tot op zekere hoogte speculatief, hard bewijs kan van hem niet worden verlangd. De enkele mogelijkheid van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling (‘the mere possibility of ill-treatment’) is echter niet voldoende om uitlevering te verbieden. Dit betekent ook dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar een algemeen probleem met betrekking tot de naleving van mensenrechten in de verzoekende staat of met de stelling dat er in het gevangeniswezen van de verzoekende staat in algemene zin misstanden heersen.

Het gaat steeds om de vraag of deze opgeëiste persoon na uitlevering een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Het is op zich mogelijk dat de situatie in het land van bestemming zo slecht is dat de uitgezette persoon onvermijdelijk met geweld te maken zal krijgen, maar dat is alleen denkbaar in ‘the most extreme cases’. 6.4 Omdat artikel 3 EVRM een van de meest fundamentele rechten en een absoluut verbod op marteling of onmenselijke behandeling omvat moet een ‘arguable claim’ ten aanzien van een dreigende schending met grote nauwkeurigheid (‘rigorous scrutiny’) worden beoordeeld . 6.5 Als de verzoekende staat garanties heeft gegeven, moeten die garanties voldoende concreet en op de persoon gericht zijn.

In een zaak die ging over uitzetting en het risico op foltering, overwoog het EHRM dat het bij de beoordeling van garanties onder andere naar de volgende factoren zal kijken:

i) whether the terms of the assurances have been disclosed to the Court; ii) whether the assurances are specific or are general and vague; iii) who has given the assurances and whether that person can bind the receiving State; iv) if the assurances have been issued by the central government of the receiving State, whether local authorities can be expected to abide by them;

v) whether the assurances concerns treatment which is legal or illegal in the receiving State; vi) whether they have been given by a Contracting State; vii) the length and strength of bilateral relations between the sending and receiving States, including the receiving State’s record in abiding by similar assurances; viii) whether compliance with the assurances can be objectively verified through diplomatic or other monitoring mechanisms, including providing unfettered access to the applicant’s lawyers; ix) whether there is an effective system of protection against torture in the receiving State, including whether it is willing to cooperate with international monitoring mechanisms (including international human rights NGOs), and whether it is willing to investigate allegations of torture and to punish those responsible;

x) whether the applicant has previously been ill-treated in the receiving State; xi) whether the reliability of the assurances has been examined by the domestic courts of the sending/Contracting State. 6.6 Dit is vooral een verzameling van gezichtspunten die het EHRM in een aantal verschillende zaken van belang heeft geacht. Het is niet een checklist die in elk afzonderlijk geval volledig moet worden afgelopen. Dreigende schending van artikel 3 EVRM? (grieven 1 tot en met 5) Bevoegd gegeven en voldoende concrete garanties ten aanzien van locatie en duur gevangenisstraf? 6.7 Met de Staat en de voorzieningenrechter (en anders dan [appellante]: grieven 1-3) is het hof van oordeel dat de Chileense autoriteiten met de brief van 25 januari 2024 voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de volgende onderwerpen (onderstrepingen hof): a. de locatie waar [appellante] haar detentie in Chili zal uitzitten, te weten Santiago Women’s Penitentiary Center (SWPC): - p. 5 “(…) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, Ms.

Rojo will be confined in the Santiago’s Women’s Penitentiary Center” - p. 11 “(…) the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the Santiago’s Women’s Penitentiary Center” Dat er staat “has reported that” betekent niet dat geen sprake is van een toezegging. Er is informatie ingewonnen bij de verantwoordelijke instantie, deze heeft verklaard dat [appellante] in SWPC zal worden geplaatst en de Chileense autoriteiten hebben die expliciete garantie gegeven (zie ook hierna). de duur van de resterende detentie: de tijd die in Nederland in (uitleverings)detentie is doorgebracht zal in Chili in mindering worden gebracht op de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf:

“Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, Ms. [appellante] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands” (p.4/5) de detentieomstandigheden in SWPC (hierop wordt hieronder teruggekomen). 6.8 [appellante] klaagt over de incomplete weergave in het vonnis van de briefwisseling van december 2023 en januari 2024 (grief 1).

Ook het hof heeft de brieven hierboven niet volledig geciteerd. Dat neemt niet weg dat het hof de brieven uiteraard geheel heeft gelezen en bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het is juist dat in de brief van 11 december 2023 zowel om informatie als om garanties wordt verzocht. Ook is juist dat de antwoordbrief van 25 januari 2024 deels algemene informatie bevat en dat niet bij elk afzonderlijk onderwerp expliciet wordt bevestigd dat iets wordt “gegarandeerd”. Dat betekent echter nog niet dat in het geheel geen garanties zijn verstrekt (grief 2).

Dat volgt ook niet uit de slotalinea waarin wordt ingegaan op de rechten van “all citizens”. Er moet niet alleen worden gekeken naar de letterlijke tekst van enkele afzonderlijke zinnen/zinsneden, maar die zinnen/zinsneden moeten worden gelezen in de context van de gehele brief en in de context waarin de brief is geschreven. De Minister heeft in de brief van 11 december 2023 duidelijk uiteengezet aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om te voorkomen dat uitlevering niet plaats kan vinden vanwege een dreigende schending van 3 EVRM en in die brief is ook verwezen naar de argumenten van [appellante] en naar haar status als bekend persoon in de media.

De brief van 25 januari 2024 is een reactie op die brief van 11 december 2023 en moet dan ook tegen die achtergrond worden bezien. Verder geldt dat op p. 3 en p. 10 van de brief expliciet wordt verwezen naar de gevraagde informatie én naar “(additional) warranties”. Bovendien is de brief van 25 januari 2024 doorgezonden bij diplomatieke nota (‘note verbale’) waarin staat dat de brief een reactie is op gevraagde informatie “and guarantees in the case concerning [appellante]”. Dat de brief geen garanties bevat kan dus niet worden volgehouden. 6.9 Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd (dit geldt ook voor de hierna nog te bespreken garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden).

Op zich is juist dat een (langdurige) uitleveringsrelatie, gebaseerd op bilaterale of multilaterale uitleveringsverdragen, een extra gewicht kan geven aan het vertrouwensbeginsel. Dat betekent echter niet, andersom, dat van vertrouwen (vrijwel) geen sprake kan zijn als tussen de betrokken staten geen uitleveringsverdrag van toepassing is (en/of als nog niet eerder iemand is uitgeleverd aan de verzoekende staat, zoals [appellante] ook nog aanvoert). Het feit dat geen sprake is van een (bestendige) uitleveringsrelatie was aanleiding voor het verzoeken om informatie en garanties en daarop is positief gereageerd.

Van belang is dat Chili net als Nederland partij is bij het IVBPR en het VN-verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing (VN-folterverdrag). Ook is Chili lid van de Council of Europe’s Committee of Experts on the Operation of European Conventions on Co-operation in Criminal Matters (PC-OC), het expertcomité inzake strafrechtelijke samenwerking van de Raad van Europa. Chili is ook aangesloten bij het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens en erkent het individueel klachtrecht bij dat hof.

Verder geldt dat Chili een nationaal, onafhankelijk mensenrechteninstituut heeft. Dit alles draagt bij aan het vertrouwen dat de Staat mag hebben in de naleving van de gegeven garanties. Overigens heeft de Staat onweersproken gesteld dat wel al langer los van uitlevering een bestendige rechtshulp-relatie met Chili bestaat. 6.10 [appellante] heeft nog aangevoerd dat de brief van 25 januari 2024 afkomstig is van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat dit ministerie niet bevoegd is garanties af te geven ten aanzien van de locatie, de duur of de omstandigheden van de detentie.

Het hof volgt haar hierin niet. De Staat heeft er terecht op gewezen dat hij de brief langs de gebruikelijke diplomatieke route, door middel van een ‘note verbale’ van de Chileense ambassade, heeft ontvangen. In de ‘note verbale’ staat ook expliciet “has the honour to present the response of the Republic of Chile”. Er is dan ook geen reden er niet op te vertrouwen dat de Chileense Staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties. 6.11 [appellante] heeft in hoger beroep nog aanvullende informatie overgelegd, te weten een bevel tot gevangenneming van de rechtbank te Antofagasta van 24 maart 2022, een verslag van de Chileense advocaten van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 (zie hierboven 3.7.), en de reactie van de Chileense rechter van 22 november 2022 op een eerder verzoek van de Chileense advocaat (zie hierboven 3.8.).

Ook deze aanvullende informatie doet niet af aan de gegeven garanties. 6.12 Wat betreft de garantie ten aanzien van de locatie van de detentie, stelt het hof voorop dat naar zijn oordeel voldoende duidelijk is dat met “the competent Prison Authority” wordt gedoeld op de ‘Gendarmeria de Chile’ (een gedecentraliseerde en autonome instelling die verantwoording aflegt aan het ministerie van Justitie en Mensenrechten, zie p. 5 van de brief van 25 januari 2024). Op basis van de nadere stukken kan niet worden vastgesteld dat alleen de rechter in Chili bevoegd is te beslissen over de plaats van detentie.

De reactie van de rechtbank van 22 november 2024 is wat dat betreft veel te summier en te weinig zeggend en de Staat merkt verder terecht op dat het feit dat in een rechterlijk bevel tot gevangenneming staat vermeld naar welke locatie iemand moet worden overgebracht, niet betekent dat die rechter het laatste woord heeft over de plaats van detentie, met name niet als door de Chileense autoriteiten een garantie is gegeven ten aanzien van de locatie. In elk geval is niet aannemelijk dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter, zo hij of zij daartoe al (als enige) formeel bevoegd is, in weerwil van de gegeven garanties, zal weigeren om [appellante] in SWPC te plaatsen.

Dat is ook niet onderbouwd. 6.13 In het licht van het voorgaande legt evenmin voldoende gewicht in de schaal dat de verantwoordelijke officier van justitie in maart 2023 heeft gezegd dat [appellante] haar gehele straf zal moeten uitzitten in de gevangenis van Antofagasta. Volgens [appellante] past deze mededeling in het Chileense systeem, nu de feiten aldaar hebben plaatsgevonden en de straf is opgelegd door de rechtbank aldaar. Wat daar ook van zij, deze mededeling is achterhaald door de latere, concrete en ondubbelzinnige garantie dat [appellante] in SWPC zal worden geplaatst.

Garanties in uitleveringszaken kunnen meebrengen dat iemand anders wordt behandeld dan een ‘gewone’ gedetineerde. 6.14 Wat betreft de duur van de nog door te brengen detentie geldt het volgende. Enkel op basis van het verslag van de bijeenkomst van 3 juni 2024 kan niet worden aangenomen dat de Chileense rechter als enige bevoegd en in staat is om te beslissen of de in Nederland in detentie doorgebrachte tijd al dan niet zal worden afgetrokken. Het had op de weg van [appellante] gelegen om haar stelling van een nadere onderbouwing te voorzien.

Zoals hierboven overwogen is uitgangspunt dat erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties zullen – en dus ook kunnen – worden nageleefd. Bovendien geldt ook op dit punt dat als al zou moeten worden aangenomen dat de rechter de enige bevoegde instantie is, niet is onderbouwd en niet aannemelijk is dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter zich niets gelegen zal laten liggen aan de gegeven garanties. Daarbij is ook van belang dat ervan mag worden uitgegaan dat het Chileense openbaar ministerie voor zover nodig medewerking zal verlenen aan de detentie-aftrek.

Daaraan doen de andersluidende verklaringen van de Chileense officieren van justitie (zoals weergegeven in het verslag van 3 juni 2024) niet af. Uit niets blijkt dat de Chileense officieren van justitie op dat moment op de hoogte waren van de gegeven garanties; integendeel, uit onderdeel 7 van dat verslag – waarin volgens [appellante] de interpretatie van de Chileense advocaat is weergegeven (zie ook pleitnota 14) – kan worden afgeleid dat zij daarvan niet op de hoogte waren. Hun verklaringen tijdens die bijeenkomst moeten dan ook in dat licht worden bezien.

Door de Chileense staat gegeven garanties binden ook de Chileense officier van justitie. Er moet daarom van uit worden gegaan dat zij voor zover nodig medewerking zullen verlenen aan de naleving ervan (bijvoorbeeld door het indienen van verzoeken in overeenstemming met die garanties of door het zich niet verzetten tegen dergelijke verzoeken van de verdediging). 6.15 Hierboven is al vermeld dat de Othman-criteria (zie 6.7.) niet gelden als een checklist die in elk geval afzonderlijk moet worden afgelopen. Het is dus niet zo dat garanties geen waarde hebben als geen sprake is van een monitoringsysteem of andere controlemechanismes.

De Staat wijst er terecht op dat als dat zo zou zijn het vertrouwensbeginsel geen waarde meer zou hebben. Omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd, is er ook geen grond om nadere garanties te vragen en/of monitoring of controle te eisen (grief 5). 6.16 De tussenconclusie luidt dat erop mag worden vertrouwd dat de tijd die [appellante] in Nederland in detentie heeft doorgebracht zal worden afgetrokken van de opgelegde straf en dat zij in SWPC zal worden geplaatst (grief 3). Dat betekent dat niet ingegaan hoeft te worden op de detentieomstandigheden in AWPC.

Ook in SWPC reëel risico schending artikel 3 EVRM? 6.17 Het EHRM acht van groot belang dat de detentieomstandigheden (in elk geval) aan de volgende eisen voldoen: ieder gedetineerde heeft een individuele slaapplaats in een meerpersoonscel; iedere gedetineerde moet ten minste 3 m2 tot zijn beschikking hebben (het voor de sanitaire voorzieningen bestemde vloeroppervlak mag daarbij niet worden meegeteld, de ruimte die het meubilair inneemt wel); de gehele oppervlakte van de cel moet zodanig zijn dat de gedetineerden zich daarin vrij kunnen bewegen tussen het meubilair.

Dit zijn geen absolute eisen; of sprake is van omstandigheden in strijd met artikel 3 EVRM is steeds afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Als aan een of meer van deze vereisten niet is voldaan geldt echter wel een ‘strong presumption’ dat zich een schending voordoet van art. 3 EVRM en is het aan de Staat om voldoende compenserende factoren aan te dragen die samen maken dat van een schending toch geen sprake is. 6.18 Volgens [appellante] bestaat er ook een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM als zij in SWPC wordt geplaatst (grief 4).

Het hof volgt haar daarin niet. De verwijzing naar algemene problemen in detentiecentra in Chili (o.a. overbevolking, geweld, slechte hygiëne) volstaat in dit verband niet en ook de overgelegde rapporten die specifiek gaan over SWPC vormen onvoldoende basis voor de aanname van een reëel risico als door [appellante] gesteld. Deze rapporten zijn van 2015 en 2019 en geven dus geen actueel beeld. Daar komt bij dat ook ten aanzien van de detentieomstandigheden in SWPC garanties zijn gegeven. Hierboven heeft het hof al uiteengezet waarom het van oordeel is dat de brief van 25 januari 2024 naast algemene informatie wel degelijk ook concrete, bevoegd gegeven garanties bevat en waarom wel op de naleving van de garanties mag worden vertrouwd.

Het hof verwijst naar die uiteenzetting (6.7.-6.10). 6.19 Door de Chileense autoriteiten zijn op de volgende punten voldoende concrete, op [appellante] toegespitste garanties gegeven (zie het citaat hierboven onder 3.5.): i) ‘personal space’: [appellante] wordt in een cel voor 8 personen geplaatst, waarbij zij de beschikking krijgt over 3,855 m2 persoonlijke leefruimte. Dat is dus meer dan de ondergrens van 3 m2 die het EHRM aanhoudt (de door [appellante] aangehaalde normen van het Anti-Foltercomité zijn niet leidend). Er is geen reden om aan te nemen dat de sanitaire voorzieningen in de cel samen meer dan 8 x 0,855 m2 in beslag nemen waardoor de leefruimte alsnog door de ondergrens van 3 m2 zou zakken, en er is evenmin reden om aan te nemen dat [appellante] zich niet vrij door de cel zal kunnen bewegen.

Volgens de brief van 25 januari 2024 is de bezettingsgraad in SWPC 59,7%. Van overbevolking is dus zeker geen sprake, integendeel. Dat dit inmiddels anders zou zijn is niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het hof neemt daarom ook aan dat de mededeling dat elke gedetineerde een eigen bed, matras en deken krijgt, zal kunnen worden waargemaakt. ii) bewegingsvrijheid en activiteiten: [appellante] zal van 8.30 uur tot 17.00 uur buiten de cel mogen zijn. Zij kan deelnemen aan workshops en andere activiteiten, zoals sport en onderwijs en er is ook gelegenheid om tijd in de buitenlucht door te brengen. iii) zonlicht: de cellen hebben toegang tot zonlicht. iv) veiligheid: de Chileense autoriteiten hebben gegarandeerd dat “due to the caracteristics of Ms. [appellante] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country” [appellante] “will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necessary security measures so that both her physical and psychological welfare are safeguarded”.

Ook dit is een voldoende concrete garantie. Een nadere uiteenzetting van de veiligheidsmaatregelen is niet nodig.

v) sanitair: [appellante] zal vrij toegang hebben tot sanitaire voorzieningen gedurende de gehele dag en nacht (dus 24/7). De privacy wordt gewaarborgd door middel van deuren. Het sanitair is in goede conditie, waarbij is vermeld dat de inrichting recent is gerenoveerd. vi) drinkwater: er wordt voorzien in voldoende schoon drinkwater. 6.20 Op zich is juist dat het zwaarder is om in een meerpersoonscel te verblijven dan in een een- of tweepersoonscel en dat een ‘personal space’ van tussen de 3 m2 en 4 m2 een ‘weighty factor’ is bij de beoordeling van de vraag of de detentieomstandigheden in strijd komen met artikel 3 EVRM.Als daarnaast sprake is van “other aspects of inappropriate physical conditions of detention related to, in particular, access to outdoor exercise, natural light or air, availability of ventilation, adequacy of room temperature, the possibility of using the toilet in private, and compliance with basic sanitary and hygienic requirements” kan alsnog worden geconcludeerd dat detentieomstandigheden in strijd zijn met artikel 3 EVRM.

In dit geval zijn er echter juist meerdere positieve factoren: een groot deel van de tijd mag buiten de cel worden doorgebracht, er wordt voorzien in activiteiten, ook in de buitenlucht, en de cel heeft toegang tot zonlicht. [appellante] klaagt nog over het feit dat de brief geen informatie bevat over de temperatuurregeling en het voedsel. Ten eerste geldt dat wel degelijk iets wordt gezegd over voedsel: die zal van voldoende niveau zijn, zowel wat betreft hoeveelheid als wat betreft kwaliteit (aldus de brief van 25 januari 2024 op p. 8, zie hierboven onder 3.5.).

Ten tweede is van belang dat in de brief van 11 december 2023 ook niet om specifieke informatie, laat staan om garanties, wordt verzocht over deze twee onderwerpen. Het feit dat de brief van 25 januari 2024 over voedsel alleen de hierboven informatie bevat en dat over de temperatuurregeling helemaal geen informatie wordt gegeven, betekent dus niet dat er reden tot zorg is. [appellante] heeft ook niet onderbouwd dat op die punten juist in SWPC wezenlijke problemen te verwachten zijn. 6.21 Aannemelijk is dat [appellante] gezondheidsproblemen heeft (aan stress gerelateerde menstruatieklachten en een schildklieraandoening, waarvoor zij dagelijks medicatie gebruikt). [appellante] is in hoger beroep (terecht) niet opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat die problemen als zodanig niet aan uitlevering in de weg staan (vonnis 4.10).

Dat neemt niet weg dat juist is haar stelling dat haar gezondheidsproblemen wel moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of er een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM bestaat. In de brief van 25 januari 2024 staat echter vermeld dat in detentie medische zorg beschikbaar is en er is geen reden daaraan te twijfelen. Tussenconclusie 6.22 De conclusie luidt dat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, ook niet als alle door [appellante] genoemde factoren in aanmerking worden genomen, waaronder de leefruimte tussen 3 m2 en 4 m2 in een meerpersoonscel en het feit dat [appellante] gezondheidsproblemen heeft.

Er is ook geen reden voor monitoring (zie hierboven onder 6.15). Grieven 1 tot en met 5 falen. Discriminatoire detentie? (grief 6) 6.23 [appellante] heeft ook nog aangevoerd dat de detentieomstandigheden in SWPC slechter zijn dan in de Capitan Yaber-gevangenis, waar mannen die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld hun straf mogen uitzitten, en dat dit verschil alleen is gebaseerd op haar geslacht. Zij betoogt dat die omstandigheden binnen de werkingssfeer van artikel 3 EVRM vallen en ook, althans in elk geval, binnen de werkingssfeer van artikel 8 EVRM (o.a. inbreuk op familieleven door beperkingen in contact en resocialisatie, telefoongebruik en regels over bezoek zonder toezicht en inbreuk op lichamelijke integriteit door visitaties). 6.24 Op zich is juist dat ook als de detentieomstandigheden in een specifiek geval niet in strijd zijn met artikel 3 of artikel 8 EVRM, er niettemin sprake kan zijn van een discriminatoire behandeling in relatie tot die omstandigheden, als er een ongerechtvaardigd verschil in behandeling is dat valt binnen de ‘wider ambit’ van artikel 3 en/of artikel 8 EVRM.

Verder is op zich juist dat het dossier aanwijzingen bevat voor de juistheid van de (door de Staat overigens betwiste) stelling dat de detentieomstandigheden in de Capitan Yaber-gevangenis gunstiger zijn dan in SWPC, zij het dat de mate waarin de omstandigheden verschillen niet geheel duidelijk is. Dit alles baat [appellante] echter niet. Ook als immers zou worden verondersteld dat het verschil in omstandigheden wezenlijk is en dat vrouwen als [appellante] in dat opzicht in Chili worden gediscrimineerd, betekent dat nog niet dat die enkele omstandigheid een zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, ook al zijn de detentieomstandigheden als zodanig adequaat en niet in strijd met artikel 3 EVRM of met artikel 8 EVRM (dat de omstandigheden in SWPC een schending opleveren van artikel 8 EVRM is betwist en niet onderbouwd).

Dat in zo’n geval sprake is van een zelfstandige weigeringsgrond volgt niet uit de wet of de jurisprudentie en ligt ook los daarvan niet voor de hand. Het beroep op artikel 10 lid 1 Uw kan [appellante] ook niet helpen. Het hof is met de Staat van oordeel dat detentie onder adequate omstandigheden niet geacht kan worden te vallen onder ‘het op andere wijze getroffen’ zijn in verband met de groep waartoe betrokkene behoort, louter omdat er een mannengevangenis is met betere omstandigheden. 6.25 Ook grief 6 heeft dus geen succes. Moet de (definitieve) uitkomst van de asielprocedure worden afgewacht? (grief 7) 6.26 De Staat heeft er terecht op gewezen dat het in dit geval gaat om een uitlevering met het oog op de executie van een al opgelegde straf.

In zo’n geval moet van de juistheid van de veroordeling in de verzoekende staat worden uitgegaan. Dit uitgangspunt leidt uitzondering als blijkt dat zich in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid een flagrante schending van artikel 6 EVRM (of artikel 14 IVBPR) heeft voorgedaan. Het is aan de uitleveringsrechter daarover te oordelen. [appellante] heeft zich in de uitleveringsprocedure op het standpunt gesteld dat van zo’n flagrante schending sprake is, onder meer vanwege een politiek gemotiveerde vervolging. Dit standpunt is door de uitleveringsrechter verworpen.

De uitleveringsrechter heeft de Minister wel in overweging gegeven het besluit over de uitlevering op te schorten totdat een beslissing zou zijn genomen op de asielaanvraag (nota bene: er is dus niet geadviseerd de definitieve uitkomst van de asielprocedure of ten minste één rechterlijke beslissing af te wachten). De Minister heeft vervolgens zijn besluit op het uitleveringsverzoek niet opgeschort, maar heeft wel besloten met de feitelijke uitlevering te wachten totdat op de asielaanvraag zou zijn beslist. Niet valt in te zien waarom dit in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid, zoals [appellante] onder meer aanvoert.

Dat klemt temeer, nu geen verplichting tot afwachten bestaat. Noch in de Uitleveringswet noch in het hier relevante verdrag (bij gebreke van een bilateraal uitleveringsverdrag met Chili is dat hier het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie van 31 oktober 2003) is een bepaling opgenomen die inhoudt dat een lopende asielprocedure een weigeringsgrond is. Integendeel, de uitleveringsprocedure prevaleert boven een eventuele vreemdelingenrechtelijke uitzettingsprocedure. 6.27 Wel is het zo dat de Minister uitlevering moet weigeren als er een gegrond vermoeden bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn (o.a.) politieke overtuiging, als bedoeld in artikel 10 lid 1 Uw.

Deze grond vertoont gelijkenis met de grond waarop asiel kan worden verleend (artikel 29 lid 1 Vreemdelingenwet 2000 en artikel 33 lid 1 VN-Vluchtelingenverdrag). De Minister heeft in zijn beschikking geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat sprake is van een politieke strafzaak. Hij heeft daarbij verwezen naar het advies van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 april 2022, waarin onder meer is vermeld dat er tegelijkertijd meerdere onderzoeken liepen tegen verschillende burgemeesters “van zeer uiteenlopende politieke stromingen en partijen” en dat de hoogste regionale autoriteit, de vertegenwoordiger van de toenmalige regering, tot dezelfde politieke stroming behoorde als [appellante].

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de Minister op basis van dat advies heeft mogen oordelen dat van een situatie als bedoeld in artikel 10 lid 1 Uw geen sprake is. 6.28 [appellante] kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de uitkomst van de asielprocedure moet worden afgewacht, omdat in de asielprocedure veel beter dan in dit kort geding zou kunnen worden onderzocht of sprake is van een politieke vervolging. Weliswaar heeft een asielzoeker recht op een beoordeling van zijn aanvraag in minstens één rechterlijke instantie alvorens hij uitgezet kan worden, maar dit recht op een rechterlijke beoordeling van de uitzetting betekent niet dat dan ook de uitlevering moet wachten, temeer niet als die, zoals hier, al aan een (aparte) rechterlijke beoordeling door de Nederlandse (uitleverings)rechter onderworpen is geweest en in dat verband hetzelfde verweer kon worden gevoerd (zie ook hierna: 6.29).

Er is geen rechtsregel die voorschrijft dat in geval van een beroep op een politieke vervolging niet kan worden uitgeleverd alvorens minstens één rechter over de asielaanvraag heeft geoordeeld. Met de Staat is het hof van oordeel dat het beroep van [appellante] op de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Gnandi en op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2019 haar niet baten, omdat deze uitspraken gaan over de toelaatbaarheid van uitzetting. Deze uitspraken houden niet in en hebben ook niet de strekking dat van feitelijke uitlevering moet worden afgezien zolang een rechter nog niet op het asielverzoek heeft beslist. 6.29 De Staat heeft overigens terecht opgemerkt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat in een kort geding over de uitlevering niet de ruimte zou bestaan om aannemelijk te maken dat sprake is (geweest) van een politieke vervolging en dat [appellante] ook in deze procedure meer werk had kunnen maken van haar beroep op een politieke vervolging, maar dat zij dat heeft nagelaten.

De verwijzing naar een krantenartikel over een opstootje in de gevangenis, waarmee [appellante] ten onrechte in verband is gebracht, is in elk geval onvoldoende om aan te nemen dat in het kader van haar strafrechtelijke veroordeling in Chili van een politiek gemotiveerde vervolging sprake is (geweest) en [appellante] heeft verder alleen niet onderbouwde stellingen ingenomen. 6.30 Ook grief 7 faalt dus. Conclusie en proceskosten 6.31 Grief 8 is een veeggrief en heeft geen zelfstandige betekenis. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt.

Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. 6.32 Die proceskosten worden begroot op: griffierecht € 798,- salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II) nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.404,- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 7Beslissing Het hof: - bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 19 juni 2024; - veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3404,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan; - bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan; - verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier. O.a. EHRM 3 november 2022, 22854/20, NJ 2024/127 (Sanchez-Sanchez t. VK). HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 en HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534. EHRM 26 oktober 2000, 30210/96, ECLI:NL:XX: 2000:AD5181 (Kudła t. Polen) en EHRM 21 januari 2011, 30696/09 (M.S.S. t. België en Griekenland). EHRM 7 september 2023, 37726/21 (Compaoré t. Frankrijk), par.

97. O.a. EHRM 11 januari 2007, 1948/04, ECLI:NL:XX:2007:BA5147 (Salah Sheekh t. Nederland). EHRM 19 februari 2013, 39786/09 (Yefimova t. Rusland), par. 201. EHRM 28 juni 2011, 8319/07 en 11449/07 (Sufi en Elmi t. Verenigd Koninkrijk), , par. 217. O.a. EHRM 7 juli 1989, 14038/88 (Soering t. VK). EHRM 17 januari 2012, 8139/09 (Othman t. VK), par. 189. EHRM 20 oktober 2016, 7334/13 (Muršić t. Kroatië). Muršić t. Kroatië, aangehaald in voetnoot 10, paragraaf 139. ABRvS 23 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5615. HvJEU 19 juni 2018, C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465. ABRvS 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442.