Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:GHDHA:2025:2232 ECLI:NL:GHDHA:2025:2232 AI generated

ECLI:NL:GHDHA:2025:2232 · Gerechtshof Den Haag

Case Number ECLI:NL:GHDHA:2025:2232
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/798 Uitspraak van 10 september 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 juli 2024, nummer SGR 23/1076. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 2.285.000 (de beschikking).

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:22 Awb; ECLI:NL:GHDHA:2025:2232 · Gerechtshof Den Haag: In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Rechtbank de schending van de informatieverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ ten onrechte heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding moet worden toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. 4.3.

Keywords

AI generated
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht artikel 6:22 Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank passeert daarom het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Rechtbank de schending van de informatieverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ ten onrechte heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
artikel 6:22 Awb
De Rechtbank heeft deze schending op grond van het bepaalde in artikel 6:22 Awb gepasseerd, omdat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2018:1316
17 augustus 2018 nr. 17/01448 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk te Waalwijk (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 10 februari 2017, nr. 15/01429, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar alsmede het incidentele hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/7668) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Waalwijk voor het jaar 2014 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RBAMS:2021:5041
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 20/6105 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2021 in de zaak tussen [eiser] , te Amsterdam, eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:GHARL:2021:7246
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 20/00526 uitspraakdatum: 27 juli 2021 Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 februari 2020, nummer AWB 19/4923 in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 12 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2018 vastgesteld op € 262.000. 1.2.
ECLI:NL:GHSHE:2017:1635
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/00374 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 maart 2016, nummer BRE 15/7377 in het geding tussen belanghebbende, en De heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, hierna: de Heffingsambtenaar, betreffende de hierna te vermelden beschikking en aanslag. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:GHDHA:2023:1984
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-22/00405 Uitspraak van 21 september 2023 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.
ECLI:NL:GHDHA:2023:1985
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-22/00406 Uitspraak van 21 september 2023 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/798 Uitspraak van 10 september 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 juli 2024, nummer SGR 23/1076. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 2.285.000 (de beschikking).

Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (de aanslag). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 559 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen op 18 juni 2025 bericht dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen uiterlijk op 2 juli 2025 laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Feiten 2.1. Het tegen de beschikking en de aanslag gerichte bezwaarschrift vermeldt onder meer: “Tevens verzoek ik u conform artikel 40 Wet WOZ om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij te verstrekken zodat ik de door u gemaakte keuzes te allen tijde kan controleren. Ik doel hierbij op alle stukken/gegevens die u bij de initiële waardebepaling en bij de behandeling van dit bezwaar heeft betrokken. Hieronder kunnen bijvoorbeeld vallen de grondstaffels, liggingsfactoren, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum, de KOUDV-factoren van het onderhavige objecten de referentiepanden, huurcijfers voor de gehanteerde huurwaarde, onderbouwing van de kapitalisatiefactor, de correctie in verband met Covid-19 etc. Dit verzoek ziet op de gehele bezwaarfase; ook als u na de hoorzitting nog nieuwe stukken in de procedure betrekt wil ik deze van u ontvangen.

Dat u hiertoe verplicht bent volgt uit ECLI:NL:HR:2018:1316, ECLI:NL:PHR:2017:l051, ECLI:NL:RBAMS2021:3591, ECLI:NL:RBAMS:2021:5041 en ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Voorts verzoek ik u, eveneens op basis van artikel 40 Wet WOZ en de Wet openbaarheid van bestuur, inzicht te verstrekken in de ramingen van de baten en lasten in de begroting van de riool-en afvalstoffenheffing. Ook vraag ik u aan te tonen dat ten aanzien van deze heffingen de opbrengstlimiet niet is overschreden.” Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“(…) Toezendplicht / schending van artikel 40 WOZ 15. Eiseres stelt dat verweerder in de bezwaarfase artikel 40 Wet WOZ heeft geschonden, omdat niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt en die deels slechts in geanonimiseerde vorm zijn verstrekt. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch.[2] Verweerder heeft ter zitting erkend dat, gegeven de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, sprake is van een schending van artikel 40 Wet WOZ, maar meent dat dit in dit geval niet ertoe heeft te leiden dat aan eiseres een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, omdat – kort gezegd – eiseres niet is benadeeld omdat zij ondanks daarom te zijn gevraagd zelf ook geen enkele medewerking heeft verleend aan het verschaffen van de benodigde gegevens om de waarde te kunnen vaststellen.

16. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in de uitspraak op bezwaar dan wel in de beroepsfase eventuele nog ontbrekende gegevens alsnog (ongeanonimiseerd) heeft verstrekt, zodat inmiddels is voldaan aan de op hem rustende verplichting op grond van artikel 40 Wet WOZ. Eiseres heeft daarvan dus alsnog kennis kunnen nemen en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert daarom het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

17. De rechtbank ziet gelet op de omstandigheden in deze zaak geen aanleiding om gebruik te maken van de haar toekomende bevoegdheid een proceskostenvergoeding toe te kennen in verband met de schending van de toezendplicht. De rechtbank stelt vast dat in het beroepschrift uitsluitend algemene opmerkingen zijn gemaakt over de omvang van de toezendplicht. Weliswaar is benoemd welke gegevens ontbreken, maar niet is (cijfermatig) geconcretiseerd welke gevolgen dit specifiek heeft gehad voor de behandeling van de onderhavige zaak. In ieder geval is niet geconcretiseerd of inzichtelijk gemaakt op welke wijze de schending van de toezendplicht eiseres heeft gehinderd in het bestrijden van de door verweerder vastgestelde waarde dan wel het onderbouwen van de door haarzelf bepleite waarde.

Het enkele stellen dat dit het geval is onder verwijzing naar gegevens die ontbreken, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. En dat is wat eiseres haar gemachtigde in feite doet; er zijn door de gemachtigde in feite enkel algemene formele punten aangevoerd, maar nauwelijks tot geen onderbouwde en cijfermatig uitgewerkte inhoudelijke klachten die betrekking hebben op de onroerende zaak, laat staan op de eerder ontbrekende gegevens. De rechtbank stelt verder vast dat ook verder in beroep – bijvoorbeeld ter zitting – geen concrete (cijfermatig) uitgewerkte en voldoende onderbouwde gronden zijn aangevoerd met betrekking tot de gegevens die volgens eiseres haar gemachtigde eerder hadden moeten worden verstrekt.

De rechtbank leidt uit dit alles af dat de gemachtigde van eiseres toch wel in beroep zou zijn gegaan – wat ook strookt met wat in wezen de standaard werkwijze van het kantoor van gemachtigde is – hetgeen betekent dat het al dan niet verstrekken van de bewuste gegevens geen verschil heeft gemaakt voor de beslissing om door te procederen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de met het beroep gemoeide kosten te vergoeden.[3] 18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. (…) [2] ECLI:NL:GHSHE:2017:1635. [3] Gerechtshof Den Haag 21 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1984, ECLI:NL:GHDHA:2023:1985 en ECLI:NL:GHDHA:2023:1987.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Rechtbank de schending van de informatieverplichting van artikel 40, lid 2, Wet WOZ ten onrechte heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of aan belanghebbende een proceskostenvergoeding moet worden toegekend. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. 4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Schending toezendverplichting 5.1.1. Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden door de onderhoudstoestand, het bouwjaar en het objecttype niet in de bezwaarfase te overleggen. 5.1.2. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ dient aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens te worden verstrekt (HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052).

Indien een verzoek als hiervoor bedoeld in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106). 5.1.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat niet alle gevraagde gegevens uiterlijk bij de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende zijn verstrekt, een schending van artikel 40 Wet WOZ oplevert. De Heffingsambtenaar heeft erkend dat sprake is van een schending van artikel 40 Wet WOZ.

De Rechtbank heeft deze schending op grond van het bepaalde in artikel 6:22 Awb gepasseerd, omdat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. De Rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat belanghebbende in beroep alsnog kennis heeft kunnen nemen van alle gegevens en deze heeft kunnen betwisten. Belanghebbende stelt dat toepassing van artikel 6:22 Awb in dit geval niet mogelijk is. 5.1.4. Onder omstandigheden kan met toepassing van artikel 6:22 Awb voorbij worden gegaan aan een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Op grond van artikel 6:22 Awb kan de rechter beslissen de uitspraak op bezwaar, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand te laten indien aannemelijk is dat belanghebbende door deze schending niet is benadeeld.

De maatstaf om vast te stellen of belanghebbende door een dergelijke schending is benadeeld, is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige tekst van artikel 6:22 Awb of zonder die schending een inhoudelijk andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk was geweest (HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2). 5.1.5. In dit geval was een andere afloop van de besluitvorming moeilijk voorstelbaar. Uit het eigen verhuurcijfer blijkt dat de waarde van de onroerende zaak eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft dit ook erkend; de procedure draait immers alleen nog om de vermeende schending van de toezendverplichting en de financiële consequenties die een bevestigend antwoord op dit geschilpunt heeft.

Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep geen argumenten of gegevens ingebracht die zonder de vermeende schending al in bezwaar hadden kunnen worden ingebracht en in de bezwaarfase tot een lagere waarde aanleiding hadden kunnen geven, zodat het instellen van beroep had kunnen worden vermeden. 5.1.6. Het Hof voegt ten overvloede toe dat het bijzondere omstandigheden aanwezig acht om ook indien de bezwaarprocedure wel een andere afloop had kunnen hebben, af te zien van het toekennen van een proceskostenvergoeding. In belanghebbendes bezwaarschrift is niet om gegevens over het bouwjaar en het objecttype verzocht.

Evenmin is voldoende specifiek om gegevens over de onderhoudstoestand verzocht (zie r.o. 2). Voor zover belanghebbende met ‘KOUDV-factoren’ heeft bedoeld de onderhoudstoestand, merkt het Hof op dat KOUDV-factoren niet zijn gebruikt nu de onroerende zaak een niet-woning is en de waarde op basis van de huurwaardekapitalisatiemethode is vastgesteld. Daarmee is in dit geval geen sprake van een gegeven dat ten grondslag ligt aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak. Bijkomend beschikt belanghebbende over het eigen huurcijfer, zodat het niet nodig en zelfs overbodig is om dit gegeven bij de Heffingsambtenaar op te vragen.

Slotsom 5.2. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten en griffierecht 6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, A. van Dongen en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon H.A.J. Kroon De beslissing is op 10 september 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.